vrijdag 2 november 2018

Kreukelbaardkronieken, Hfdst 14: Lente




14. Lente

Het is alsof je het kan ruiken, je voelt het, soms zie je het ook. Als je de lucht in ademt en naar de lucht kijkt, zie je het zonnetje weer haar best doen aan de blauwe hemel……..de lente is in aantocht. Ik krijg weer zin om naar buiten te gaan, de bossen in en die heerlijke geur op te snuiven. Lekker genieten van alweer een nieuwe lente. Ik besluit dus om de tuin in te gaan en de oude blaadjes eens op te ruimen, hier en daar wat struiken te snoeien en de tegels schoon te boenen van al het mos wat oprukt naar het huisje. Nee niet al het mos, want het kan ook zo mooi bloeien met van die hele kleine witte bloemetjes. En in het voorjaar gebruiken ook veel vogeltjes het mos om hun nestje mee te bedekken. En terwijl ik zo heerlijk bezig ben en geniet van het buiten zijn, mijn fantasie de vrije loop laat, ben ik ineens midden in het bos waar ik al zoveel beleefd heb met Kreukelbaard. “Hé hoe kom ik hier nu zo ineens, ik was toch in de tuin bij mijn huisje?” “Ja dat klopt, maar als je het zo naar je zin hebt en je zo leuk kunt fantaseren, dan zit je voor je het weet in je eigen fantasie…..of is dit geen fantasie?” hoorde ik Kreukelbaard zeggen. “Nou dat vind ik een moeilijke vraag hoor, want ik heb al zoveel avonturen beleefd hier in dit bos, laten we maar zeggen dat het voor mij allemaal heel echt is.” “Wat was je dan aan het doen voordat je hier terecht kwam?” vroeg Kreukelbaard. “Nou ik was de tuin aan het opruimen, de struiken aan het verzorgen en ik dacht aan de vogeltjes, ik genoot van de heerlijke lucht en het zonnetje.” “Aha, dat is goed, je was aan het genieten terwijl je bezig was in de natuur en dan maak je als vanzelf contact met de natuurwezens en hopla daar zijn we, of liever gezegd daar ben je.” “Gaat dat zo makkelijk?” vroeg ik. “Ja, als je maar iets doet waar je heel blij van wordt, en je durft te geloven in je eigen fantasie, dan gebeurt het. Ook met andere dingen, zoals sporten, of wat kinderen doen als ze spelen met hun poppen of autootjes. Dan kunnen ze heel makkelijk contact maken met andere werelden die jullie fantasie noemen. Het kan met alles, en zo heb jij ons leren kennen. Maar nu je toch hier bent gaan we maar gelijk aan de slag. Kom mee, we gaan op pad, want het wordt inderdaad lente en we hebben een boel werk te doen.”
We liepen naar een mooi gebied waar wel honderd kabouters al aan het werk waren. Kreukelbaard zei: ”Hier kun je kennis maken met wat wij zoal doen om een nieuw seizoen te verwelkomen.” We liepen door het gebied en Kreukelbaard vertelde me wat ze aan het doen waren. Eerst zag ik in de bomen een heleboel kabouters, die de laatste blaadjes van de takken haalden. Ze trokken die los en lieten ze naar beneden dwarrelen. Soms zag ik een kabouter die twee blaadjes aan elkaar had geknoopt en deze gebruikte als parachute om zo weer omlaag naar de grond te dwarrelen. Op de grond zag ik de kabouters met allerlei kleine beestjes samenwerken om de blaadjes op te ruimen en onder de aarde te schuiven. Ik zag ook hoe sommige kabouters de struiken aan het kietelen waren zodat ze maar wakker werden en ook weer van de zon gingen genieten. Soms werden de nieuwe knoppen een beetje open gepeld zodat het eerste blaadje of bloemetje makkelijker naar buiten kon komen. Kreukelbaard vertelde me dat dit nodig was om de boom of struik te helpen om de zuurstof en het zonlicht weer snel op te vangen voor de verdere groei…echt wakker worden dus.  Ook zag ik kabouters werken aan kleine groene steeltjes die net boven de grond kwamen. Die werden een beetje geholpen om boven de grond te komen. Dat werd bijvoorbeeld gedaan door voorzichtig een groot stuk hout wat bovenop een steeltje lag, weg te halen. Zo kon het steeltje makkelijk naar boven komen en het bloemetje tevoorschijn komen. En door alle drukte werden de insecten die allemaal lagen te slapen ook weer wakker. He was een groot gezellig lentefeest om zo al die kabouters en diertjes met elkaar te zien werken. “Zie je” zei Kreukelbaard, “het is niet zoveel anders als wat jij doet in jouw tuin. Jij helpt de natuur ook een handje door in je tuin te werken, de struiken en de bomen weer een nieuwe kans te geven om te bloeien, de insecten wakker te maken door met je handen door de aarde te woelen.  Zo kunnen de insecten ook weer meehelpen om de oude blaadjes op te ruimen.”

Plotseling hoorden we uit de richting van de bomen een kabaal komen. We besloten om eens te gaan kijken waarom een aantal kabouters zo schreeuwden. We zagen een groepje kabouters naar boven kijken, en wijzen in de richting van een hele hoge boom. We keken naar boven en zagen dat er een kabouter met zijn bretels aan een tak hing te bengelen, hoog boven de grond. Kreukelbaard vroeg aan de kabouters: ”Hoe is die daar terecht gekomen?” Een kabouter met een hark in zijn handen zei: ”Hij moest weer eens zo nodig iets uitproberen. Hij zat als enige heel hoog in de boom wat laatste blaadjes weg te halen en toen hij klaar was wilde hij met een parachute van blaadjes naar beneden komen, zoals we wel vaker doen. Maar hij riep dat hij een zweefduik ging maken en eens als een vogel wilde vliegen. Dat lukte aardig maar ineens toen hij een salto wilde maken bleef hij aan zijn broekje hangen. En nou hangt hij daar.” “Wie is het?” vroeg Kreukelbaard. “Het is kabouter Durfal.” “Aha die druktemaker, nou zullen we die maar eens een tijdje laten hangen?” zei Kreukelbaard met zo’n luide stem dat Durfal het wel móest horen. Verschrikt keken er een aantal kabouters naar Kreukelbaard, die voorzichtig een knipoogje gaf. Vanuit de boom was meteen een verontwaardigd gebrul te horen. ”Hé stelletje bangeriken, jullie gaan me zeker toch wel helpen? Jullie luisteren toch niet naar Kreukelbaard? Haal me hiervan af.”  Kreukelbaard draaide zich om en zei: ”Ik zou niet weten hoe ….dus…” Intussen waren er al een heel stel kabouters bezig om een vangnet te regelen. Zij hadden de knipoog van Kreukelbaard al lang begrepen. Ze hadden een aantal spinnen om een stevig spinnenweb gevraagd.  De spinnen maakten de dikste draden die ze maar konden en er werd een mooi stevig web van gemaakt. Intussen was Durfal aan het roep
en dat hij toch echt geholpen moest worden en waarom ze niet meteen naar boven klommen om hem te helpen. Hij werd roder en roder van kwaadheid en spartelde druk met zijn beentjes. Ineens hoorden we allemaal een hard gekraak. We keken naar boven en ja hoor, Durfal was uit zijn broek aan het scheuren. Kreukelbaard knikte en plots kwam Glimmie de ekster aanvliegen met drie van zijn vrienden. Glimmie kende ik nog van het avontuur met het mysterie van het belletje. De vier eksters vlogen op de spinnen af en namen het spinnenweb mee in hun snavels. Elk hadden ze een hoek in hun snavel en geruisloos gingen ze op weg naar de plek waar Durfal hing. En net toen de broek van Durfal helemaal van zijn kontje scheurde, en hij zomaar naar beneden viel, vlogen de eksters precies onder de vallende kabouter. Met een luide gil van wanhoop viel Durfal naar beneden en werd hij opgevangen in het spinnenweb en brachten de vier eksters hem veilig naar de grond. Alle kabouters rolden over de grond van het lachen want Durfal, de kabouter met de grootste mond, die altijd alles durfde, was nu toch wel bang geweest, maar nog leuker, hij stond in zijn blote gat! Durfal wist niet hoe hij moest kijken en lachte voorzichtig mee. Met zijn handjes op zijn billetjes rende hij naar zijn huisje voor een nieuwe broek. Kreukelbaard zei: ”En nu maar hopen dat hij van deze keer eens iets geleerd heeft en dat hij wat minder opschept, en wie weet, wordt hij nu misschien wat voorzichtiger. Hij is nog jong en kan nog veel leren. Soms kun je ze honderd keer iets zeggen maar leren ze alleen door het te ervaren. ”Op dat moment kwam Durfal alweer aanrennen met een nieuwe broek aan. Hij riep: ”Zo, dat was echt wel leuk, lachen hoor! Heerlijk zo door de lucht te vliegen en opgevangen te worden.” Kreukelbaard schudde zijn hoofd, draaide zich om en liep glimlachend naar zijn huisje. Ik moest vreselijk hard lachen en voor ik het wist zat ik alweer op mijn knieën in mijn eigen tuin de blaadjes op te ruimen. De mevrouw die net voorbij liep keek me vreemd aan.  Ze heeft me vast horen lachen, maar ze snapt er natuurlijk helemaal niets van. Ha ha .

dinsdag 23 oktober 2018

Kreukelbaardkronieken hfdst 13



13. De eikeltjesrace

Die dag was het dan zover. De grote dag van de wedstrijd was aangebroken. Iedereen in het bos was al druk in de weer. Het zonnetje scheen al door de jonge groene blaadjes van de bomen. Ik liep het bos in op zoek naar Kreukelbaard. Maar ik liep niet hard of regelrecht naar zijn huisje, want er was zoveel te zien, er gebeurde zoveel om me heen dat ik het wel leuk vond om een beetje te treuzelen. “Opzij, ga eens opzij” hoorde ik ineens achter me, en daar zag ik een aantal kabouters met bezempjes een pad maken door het bos. Ik zag het pad achter hen kronkelend het bos in verdwijnen, en nu stond ik in de weg. Ik stapte opzij en ze gingen ijverig verder. Voordat ze weer verdwenen achter een stel bosjes vroeg ik hen wat ze aan het doen waren. “Wij zijn het parcours aan het maken, het pad waarlangs de wedstrijd zal plaatsvinden.” “Oh welke wedstrijd?” vroeg ik. De kabouters keken elkaar aan en eentje vroeg: ”Weet je dat dan niet? Het is vandaag de dag van de grote Eikeltjeswedstrijd, en die komt hier langs.” Ik liep verder en zag allerlei dieren en de elfjes aankomen die allemaal mee gingen helpen om het bos gereed te maken. Ik besloot langs het pad te lopen om te kijken waar ik uit kwam. Na een paar bochten zag ik ineens een enorme berg eikels. En die werd nog steeds groter doordat wel zes eekhoorntjes elke keer nieuwe eikels kwamen brengen. Die zijn vast voor de race dacht ik. “Goedemorgen op deze belangrijk dag” hoorde ik ineens boven me. En daar zat meneer Uil. “Goedemorgen meneer Uil” zei ik terug, “wat een bedrijvigheid hè vandaag.” “Ja het is een belangrijke dag want vandaag zullen dieren en kabouters tegen elkaar en met elkaar de Eikeltjeswedstrijd houden. Dat is elk jaar vroeg in de lente. Je ziet, er zijn weer eikeltjes genoeg dit jaar.” “Kunt u me uitleggen waar het om gaat, wat kunnen ze winnen?” vroeg ik. “Nou er valt niets te winnen, alleen een heleboel te lachen, want het gaat hier anders dan bij de mensen in de stad. Die doen wedstrijden om te winnen, die willen altijd de beste zijn, en dan moet er een grote prijs zijn die ze krijgen en dan pas zijn ze tevreden. Hier in het bos gaat het erom dat we blij zijn dat het weer lente wordt, dat we de koude winter weer hebben overleefd, dat we elkaar nog allemaal hebben en dat we de hele winter voldoende eten hebben gehad. Dat vinden we belangrijk en dat willen we vieren, met elkaar. Zoals je ziet werkt eerst iedereen samen om de dag tot een feest te maken en de race mogelijk te maken, ook de kabouters en dieren die straks mee willen doen aan de race want iedereen mag meedoen. Het is een hele dag vol gezelligheid en vriendschap. En na het feest gaan we op pad om de lente echt te verwelkomen, dan moet de natuur weer lente- en zomer gereed gemaakt worden.” Ik keek om me heen en zag inderdaad iedereen plezier hebben en allerlei dingen met elkaar doen die nodig waren voor het feest, want het was niet alleen maar een wedstrijd, het werd echt een heuse feestdag. Ik zag dat de bomen en struiken versierd werden door vogeltjes. De kabouters zetten tafeltjes en stoeltjes neer langs het parcours, en de elfjes vlogen heen en weer met lekkernijen. “Hé jij, weg wezen daar” hoorde ik meneer Uil ineens krijsen. Ik schrok er van en keek waar hij heen vloog. Meneer Uil landde achter de berg eikeltjes en ik zag een dik egeltje gauw weg waggelen. “Je moet ze zo in de gaten houden. Er zijn altijd wel wat dieren die even van de berg willen snoepen.”
Ik liep weer verder en in de verte zag ik kabouter Kreukelbaard al aan komen lopen. Ik herkende hem meteen aan zijn mooie witte lange baard en zijn rode puntmuts. Hij zwaaide al naar me en liep breed lachend op me af. “Ja ja, dat wordt een feest hè?” Ik vertelde hem dat meneer Uil me al wat uitgelegd had maar dat ik nog niet precies wist wat er ging gebeuren. Kreukelbaard legde me verder uit dat het een groot feest was en dat de race hét hoogtepunt was van het feest. Natuurlijk werd er ook lekker gegeten en gezongen maar de race was toch wel iets heel speciaals. “Kijk”, zei Kreukelbaard, “eerst gaan alle dieren voor de winter allerlei etenswaar zoeken en sparen ze dat op, zodat ze de winter door kunnen komen. Daar leven ze dan van en wat ze in de lente over hebben, werken ze dan weer naar buiten om hun holletje te kunnen schoonmaken. En alles wat ze over hebben wordt weer gebruikt voor de race en voor de lekkernijen die we maken voor het feest, eikeltjeskoffie, eikeltjeswijn en eikeltjestaart.” Zo vertelde Kreukelbaard nog veel en veel meer en intussen was het al aardig druk geworden. “Kom” zei Kreukelbaard, “we gaan naar de race kijken, die kan elk  moment gaan beginnen. Het is een race waarin eikeltjes over het parcours naar een andere plek gebracht moet worden. Daar worden de eikeltjes geteld en wie de meeste eikeltjes heeft overgebracht mag de eerste hap uit de taart nemen, of de eerste slok uit de ketel met wijn drinken. Het gaat niet om het winnen maar om het plezier wat je tijdens de race hebt. Want iedereen mag allerlei trucjes verzinnen om zo snel mogelijk en zo handig mogelijk de eikeltjes op te halen en weg te brengen. En daarmee mag je elkaar ook onderweg een beetje plagen, als het maar leuk blijft.” Nou ik was reuze benieuwd. Ik hoorde al een gejuich en zag de twee eekhoorntjes Spits en Rap al klaar staan om te beginnen. Kabouter Plof telde af en de eekhoorntjes begonnen als een razende de eikeltjes te verzamelen, de ene in een rugzakje de andere in zijn pootjes. Rap begon als eerste te rennen maar werd al snel ingehaald door Spits met de rugzak. Op dat moment riep Rap dat de rugzak van Spits leegliep omdat er een gaatje in zat en dat hij nog maar 10 eikeltjes had. Spits stopte, deed zijn rugzakje af en keek ernaar. Omdat hij geen gaatje zag begon hij de eikeltjes te tellen en intussen liep Rap snel verder. Toen Spits dat zag, slingerde hij de rugzak weer op zijn rug, begreep dat hij gefopt was en spurtte keihard verder. Hij kwam al  gauw op kop maar werd ook moe van de zware rugzak. Hij zag dat hij weer werd ingehaald door Rap die maar een paar eikeltjes bij zich had. Op het moment dat Rap inhaalde strooide Spits ineens wat in de lucht en Rap begon vreselijk te niezen. Hij had peper in zijn neus gekregen. Hij moest zo hard niezen dat de eikeltjes uit zijn pootjes vielen. Iedereen moest hard lachen om die twee gekke eekhoorns. Uiteindelijk had Rap geen eikeltjes meer en Spits was te moe om de rugzak nog verder te dragen. Dus besloten ze om maar samen verder te gaan en de rugzak samen te dragen. Met een luid gelach en applaus kwamen ze aan bij de feesttent waar ze de eikeltjes inleverden, allebei evenveel.


En toen was het de beurt aan twee kabouters, Grapneus en Brompie. Allebei hadden ze een kruiwagentje vol met eikels en ze vlogen er vandoor bij de start. De kruiwagens hotsten en botsten over de bosgrond. Af en toe kieperde er bijna eentje om in een bocht en bij elke kuil vlogen er wel een paar eikels door de lucht. Iedereen hoorde Brompie brommen dat zijn kruiwagen veel voller zat en dus ook veel zwaarder. Grapneus zei daarom onder het rennen: ”Hé Brompie, zal ik je helpen om het een beetje minder zwaar voor je te maken?” Nou dat wilde Brompie wel en meteen floot Grapneus op zijn vingers. Vanuit de bomen kwamen er vier grote vogels naar beneden gevlogen en elke vogel nam in elke poot een eikeltje uit het kruiwagentje van Brompie en lieten die weer vallen in het kruiwagentje van Grapneus. “Ho stop dat is niet eerlijk, nu heb ik minder eikels, dat had je niet gezegd.” “Maar”, zei Grapneus, ”je kruiwagen is wel een stuk lichter en dat wilde je toch?” Lachend rende Grapneus weer verder en het publiek lachte nog harder. Brompie ging er achteraan. En natuurlijk haalde hij Grapneus weer in want die had nu immers een veel zwaardere kruiwagen. “Je moet je bandje van de kruiwagen harder oppompen joh, dan loopt deze niet zo zwaar” riep Brompie. Dat vond Grapneus wel een goed idee en hij pompte het bandje keihard op. En hij ging toen heel snel Brompie achterna. En oh wat liep dat een stuk makkelijker. En het leek wel of het steeds lichter ging. Maar wat hij nog niet gezien had, is dat het kruiwagentje met zo’n harde band nu veel harder stuiterde en daardoor verloor hij veel eikeltjes. Toen hij als eerste bij de feesttent aan kwam had hij nog maar 8 eikeltjes over! En hij was met twintig begonnen! Even later kwam Brompie aan. Hij liep heel langzaam en het zweet liep van zijn gezicht. Zijn kruiwagen lag helemaal vol met eikeltjes. Grapneus keek ernaar en vroeg: ”Hoe kom jij nou aan zoveel eikeltjes?” “Ach” zei Grompie, “alle eikeltjes die uit jou kruiwagentje stuiterden heb ik maar meegenomen en nou heb ik meer als jij, en daar gaat het toch om?” Grapneus begon eerst sip te kijken, want hij wist dat hij gefopt was. Hij wilde als eerste bij de feesttent komen en daar had Grompie mooi gebruik van gemaakt. Het ging immers om de meeste eikeltjes en niet om de snelheid. Al gauw begon Grapneus te lachen. “Aha” zei Brompie, “heb ik je daar toch mooi bij de neus genomen hè, ik noem je voortaan maar kabouter Bijdeneus in plaats van Grapneus.” Iedereen moest hard lachen om de slimme zet van Brompie. En zo ging het nog een hele tijd door, en hoe later het werd hoe meer gekke fratsen de dieren en de kabouters gingen uithalen. Er werd zelfs een heel lang lint van kabouters gemaakt om de eikeltjes aan elkaar door te geven, anderen lieten grotere dieren helpen, die waren sterker en konden meer dragen of sneller rennen. Het was een dol festijn. En na de wedstrijd werd er gefeest, gedanst, gedronken en gegeten. Het feest duurde tot lang in de nacht. En de volgende morgen was het een van die zeldzame mooie ochtenden dat het vreselijk rustig was in het bos, dat je niets hoorde, alleen de vogeltjes die zoals altijd hun hoogste lied zongen. Verder lag iedereen nog te slapen.

maandag 27 augustus 2018

De Kreukelbaardkronieken Hfdst 11: De Tovenaar



                                                11. De tovenaar


Het was donker en mistig in het bos. De mist hing laag boven de grond zodat je je eigen voeten bijna niet kon zien. Alsof je door een wolk liep waar je een beetje in wegzakte. En het was er stil, heel stil. Vreemd, want normaal was het op de een of andere manier in dit bos altijd een stuk lichter en droger, en hoorde je altijd wel een nachtdier zoals een uil die “oehoe” riep. Of je hoorde het knisperen van een takje als er een hert of een egel aan het rondsnuffelen waren om eten te zoeken. Maar nu niets van dat. Het was of alles in het bos zijn adem inhield. Maar waarvoor? En waar kwam die rare kou en mist toch vandaan? Het was niet normaal voor de tijd van het jaar. Gisteren nog, was het hier prettig. Overdag scheen de zon door de bomen en ’s-nachts zag je de maan schijnen, tussen de blaadjes en de dennennaalden door. En het was lekker om in je shirt door het bos te lopen. Maar nu…brrrrr, het was gewoon een beetje eng. En het werd ook steeds kouder en kouder, alsof het winter werd en de vorst al het land in kwam. Maar het was pas Augustus en vanmorgen was het nog heerlijk weer om naar het strand te gaan en om in het water te duiken. Maar nu hier in dit bos, nee het was hier echt niet fijn. Dus ik besloot terug te keren naar huis. En zodra ik het bos uitkwam werd het weer warmer, de zon scheen en het was weer lekker om buiten te zijn. Zoiets vreemds had ik nog nooit meegemaakt. “Winter in het bos en zomer aan zee” dacht ik nog.

De volgende dag werd ik vroeg wakker omdat het zonnetje al weer volop stond te schijnen aan de hemel. Toen ik me gewassen en aangekleed had, deed ik het raam open en meteen kwam er een vogel in de vensterbank zitten. Een mooie vogel met blauw-zwarte vleugels en een rode snavel. Ik kende deze vogel niet. Ik keek even naar de vogel maar deze bleef daar rustig zitten. Dus ik besloot om gewoon mijn ontbijtje te gaan eten. Terwijl ik in de keuken een boterhammetje aan het klaar maken was, zag ik ineens de vogel de keuken in trippelen. Op dat moment wist ik dat dit geen gewone vogel was. Die zou mij niet dwars door het huis achterna getrippeld zijn, vanaf de slaapkamer tot in de keuken. Terwijl ik mijn boterhammetjes at gooide ik een paar kruimeltjes op tafel. De vogel vloog op en zette zich neer op de tafel en at de kruimeltjes op. Hij keek me met zijn kleine ronde kraaloogjes doordringend aan. Daarna vloog hij door het keukenraam weer naar buiten. Ik keek hem na en zag hem in de richting van het bos wegvliegen. Meteen viel me op dat boven het bos een witte wolk hing terwijl er overal een blauwe lucht te zien was. Ook dat vond ik vreemd maar ik dacht er verder niet over na. Ik had een heerlijke dag, werkte lekker in mijn tuintje, en deed wat boodschapjes in het dorp. En daar hoorde ik ook al verhalen over het steeds kouder wordende bos. Een paar kinderen waren naar het bos gegaan maar waren verkleumd van de kou terug gekomen. Ik besloot na het avondeten  nog eens terug te gaan naar het bos om te kijken of het erger was geworden met de kilte.
Terwijl ik in mijn tuintje zat kwam de bijzondere vogel weer aangevlogen. Hij zat me een tijdje aan te kijken en vroeg ineens: “Ken jij Kreukelbaard?” Ik was niet eens meer verbaasd dat deze vogel kon praten, eigenlijk wist ik al dat er weer een nieuw avontuur zat aan te komen. “Ja, die ken ik heel goed” zei ik tegen de vogel. “Weet jij waar ik die kan vinden?” vroeg de vogel. “Ja dat denk ik wel, maar waarom wil je dat weten en wie ben je eigenlijk?” zei ik, terwijl ik achterover in mijn stoel ging zitten zodat ik de vogel beter kon zien. “Ik ben KRRR, het even-wezen van de grote tovenaar Misflits.” Ik zat verbaasd te kijken en begreep er niets van. “KRRR, een even-wezen?” zei ik verbaasd. “Wat is dat, een even-wezen?” “Elk persoon heeft een even-wezen in de vorm van een dier. Dat dier staat heel dicht bij die persoon om die persoon te helpen in het leven, om keuzes te maken, om te leren van de dingen die niet helemaal gaan zoals ze gaan moeten. Even-wezens zijn dieren die op de mensen lijken waar ze aan verbonden zijn. Ze begrijpen heel goed wat die mensen doen en waarom, en ze zullen altijd hun best doen om deze personen verder te helpen in hun ontwikkeling”, zei KRR. “Heb ik er dan ook een?” vroeg ik onmiddellijk. “Ja, maar ik zeg niet welk, want daar moet je zelf achter komen.” “OK, en waarom zoek je Kreukelbaard?”  “Ik heb hulp nodig voor mijn meester, de tovenaar Misflits. Misflits is een goede tovenaar met een warm en liefdevol hart. Maar jaren geleden maakte hij weer eens van zijn vele foutjes tijdens het toveren en verloor hij al zijn liefde. Liefde voor zichzelf, liefde voor de mensen, de natuur, de dieren, alles. Hij is kil en koud geworden en het gaat niet goed met hem. De kou die zich van hem meester maakte, maakt dat Misflits bijna bevroren door het leven gaat. En ik weet niet hoe ik die betovering ongedaan kan krijgen. En dat is wat ik aan Kreukelbaard wil vragen.” Tijdens dit verhaal begon het me langzaam duidelijk te worden wat er in het bos aan de hand kon zijn. Daarom vroeg ik aan KRRR waar Misflits was, en het antwoord klopte precies met wat ik al dacht: Misflits was gearriveerd in het bos. Ik vroeg aan KRRR of het daarom zo koud en kil in het bos was. “Precies! en het wordt elke dag erger” antwoordde KRRR. Ik besloot meteen op weg te  gaan naar Kreukelbaard en KRRR ging met me mee op een afstandje, in de lucht. Bij het kabouterdorp stond Kreukelbaard al te wachten. “Ik wist dat je zou komen, omdat er vreemde dingen gebeuren in het bos” zei Kreukelbaard. Hij keek naar KRRR en zei: ”Nooit gedacht dat ik nog eens met jullie kennis zou maken, ik heb veel over jullie gehoord. Vertel me wat er aan de hand is, want ik denk dat het met Misflits te maken heeft. Zorgt hij ervoor dat het in het bos zo koud wordt?” KRRR vertelde hem het hele verhaal. We besloten om Misflits meteen op te zoeken in het bos.
Bij het bos aangekomen leek het wel hartje winter. Overal lag ijs en de bomen waren wit van de rijp. “Dit is ongelooflijk” zei Kreukelbaard. “Het hoort een warme zomerdag te zijn. Maar het is hier compleet winter. Arme dieren, bloemen en bomen, dat verdienen ze niet. Kom laten we verder gaan. Maar eerst moet ik zorgen dat we hulp krijgen, want ik heb het gevoel dat we alle hulp kunnen gebruiken die er maar bestaat. Dit heb ik nog nooit meegemaakt.” Kreukelbaard haalde een eigenaardig soort fluitje uit zijn zak. Het leek op een takje maar was iets dikker. Hij zette het aan zijn mond en blies er op. Ik hoorde niets en keek vragend naar Kreukelbaard. “Dit is de noodfluit voor kabouters. Elk kaboutervolk heeft er een. Ze worden alleen gebruikt in uiterste noodzaak, en dat gebeurt niet vaak hoor. Jullie kunnen de fluit niet horen, maar de fluittoon gaat verder dan je ooit kan vermoeden. Vele volken, van kabouters tot elven, trollen en reuzen horen deze toon en weten dan dat er wat aan de hand is en dat er hulp nodig is.” “Hoe weten ze dan waar en wat voor hulp er nodig is?” vroeg ik gauw. “Door de manier van fluiten. Elk volk heeft zijn eigen fluitje met zijn eigen toon. Daaraan herkennen we elkaar. Het fluitje weet precies welke emotie bij deze situatie hoort, dat voelt hij aan diegene die blaast. Degene die de toon hoort zal goed moeten luisteren en die voelt dezelfde emotie. Dat wordt dan weer omgezet in beelden in hun hoofd. En zo weten ze precies wie welke hulp nodig heeft, en waar. Maar nu genoeg gepraat, aan het werk, het bos in en op zoek naar Misflits.”
We liepen het smalle laantje in naar het bos en we merkten meteen dat het er donkerder was dan tevoren. Kreukelbaard keek omhoog en zei: ”Zelfs de lantaarns zijn uit gegaan. We kunnen niet verder gaan voordat deze weer goed branden. Zonder het licht van deze lantaarns is Misflits verloren. Deze lantaarns verspreiden het licht van de liefde, de warmte in de wezens. Ik moet meteen actie nemen!” Kreukelbaard floot nogmaals op zijn fluitje en even later kwamen er kleine lichtende wezentjes aan zweven. Het bleken elfjes te zijn.  Hoewel het erg koud was bleken de elfjes hier geen last van te hebben. Na even met Kreukelbaard gepraat te hebben vlogen ze allemaal naar de lantaarns en zorgden ze ervoor dat de lantaarns weer gingen branden en bleven branden. Één voor één verspreidden de lantaarns hun geelgouden licht langs het koude donkere laantje. Ik zag toen we over het laantje verder liepen in elke lantaarn een elf zitten. En ze deden hard hun best om het licht brandende te houden. Zo liepen we verder en verder het bos in. Hoe verder we kwamen, hoe moeilijker het was voor de elfjes om het licht te laten branden. Uiteindelijk zagen we een open plek in het bos, een stukje verwijderd van het laantje. KRRR ging voorop, dan Kreukelbaard, toen ik en daarna nog een stel kabouters, feeën, en twee reusachtig grote mannen die tot mijn grote verbazing Neuzel en Treuzel heetten. Voorzichtig liepen we verder de open plek op naar een klein huisje. Alles was er donker. Kreukelbaard liep naar de deur en ging het huisje binnen. Binnen zat Misflits, op een stoel vlak voor de open haard die intussen ook uitgegaan was en waar ijspegels inmiddels aan de schoorsteenmantel hingen. Kreukelbaard riep Neuzel en Treuzel bij zich en vroeg hen om hout te gaan sprokkelen voor de open haard. KRR en Kreukelbaard gingen bij Misflits zitten en probeerden hem aan het praten te krijgen. Het enige wat Misflits voort kon brengen was een onduidelijk gemompel. Neuzel en Treuzel hadden al gauw wat hout gehaald en samen met de elfjes maakten ze een knapperend vuur in de open haard. Al snel verspreide zich een warme gloed door het hele huisje. Zodra het vuur groot genoeg was begonnen de feeën een lekkere soep van bospaddestoelen en diverse kruiden te maken die ze Misflits lepeltje voor lepeltje te eten gaven. Langzaam kwam er weer een beetje kleur op de wangen van Misflits. Hij keek in het rond en zag alle feeën, elven en kabouters aan het werk om het er weer gezellig en warm te maken. Hij zag Kreukelbaard en KRRR en glimlachte voorzichtig. “Aahh vrienden, wat geweldig om jullie te zien” zei hij zacht. “Ik ben blij dat jullie gekomen zijn om mijn oude koude hart weer een beetje te verwarmen. Het is deze keer goed mis gegaan he?” Misflits keek KRRR aan en aaide hem over zijn kop. “Je hebt me dus wéér niet in de steek gelaten, KRRR . Als ik jou toch niet had.” “Goed” zei Kreukelbaard, “vertel eens wat er is gebeurd.” En Misflits vertelde: ”Het begon al jaren geleden. Je weet dat ik van dieren hou, van mensen, van bloemen en bomen. En dat ik altijd het beste wil voor iedereen en alles. En als ik zie waar er niet goed met elkaar wordt omgegaan dan probeer ik er met mijn toverkunsten iets aan te verbeteren. In het begin ging dat heel goed maar steeds meer toverkunsten gaan nu fout en dat maakte me eerst kwaad en later verdrietig. Ik ging steeds meer mijn best doen, maar desondanks ging het steeds slechter met mijn toverkunsten. Ik werd steeds eenzamer en meer verbitterd. Alles verkilde in mij, en ik trok me terug in de eenzame wouden tussen de zwarte bergen. Daar zou ik nog eenmaal proberen om een elixer te brouwen, die mij zou helpen om de wereld te verbeteren, om meer harmonie in de wereld te krijgen, en om zo ook mijn oude inmiddels koude lijf weer te verwarmen. Maar het ging nog meer mis dan anders. Alle energie, al mijn liefde voor de wereld, de natuur, de levende wezens, trok uit mijn lijf in het elixer. Ik was op slag als versteend en wilde niets meer van het leven weten, niets had mijn interesse meer. En het werd kouder en kouder om me heen. De dieren verlieten mij en verdwenen naar andere oorden, ik zag niemand meer, en de zon zag ik nog nauwelijks. Het stukje land waar ik woonde werd kaal en bracht geen oogst meer voort.  Behalve KRRR was er niemand of niets meer in mijn buurt. En KRRR heeft mij overgehaald om hier naar toe te komen om hulp te vragen. Het heeft me twee jaar gekost om hier te arriveren. En nu mijn vrienden, als ik jullie nog vrienden mag noemen, wil ik jullie vragen om mij te helpen om de warmte en de liefde voor alles wat leeft en groeit weer opnieuw te vinden.” Het was lange tijd stil en iedereen staarde voor zich uit. Plotseling zei Kreukelbaard: ”Tja dat wordt moeilijk, want dat is iets wat wij eigenlijk niet mogen. En dat is ook precies waarom het zo vaak fout ging met jouw toverkunsten. Je kan en mag geen toverkunst gebruiken om de levende wezens van elkaar te laten houden, of met elkaar in harmonie te laten leven. Dat is iets wat je aan iedereen zelf moet overlaten. Dat is hun keuze en die mag jij niet voor hen maken. Je mag alleen het voorbeeld zijn. En jij hebt daar zoveel energie in gestoken dat je steeds kwader werd toen het ging mislukken. En doordat je steeds teleurgesteld werd, ging je nog meer fouten maken. En zo ging het dus steeds slechter met je.” “Maar wat moet ik dan nu?” vroeg Misflits. “Ik weet het niet, en dat is echt voor het eerst” bekende Kreukelbaard. Op dat moment kwam er een prachtige gedaante binnen. Ze had golvend kastanjebruin haar en ze had een prachtige blauwe jurk aan. Om haar heen scheen een gouden gloed te hangen. Alle elven en feeën in de kamer maakten een buiging. Het moest wel een koningin zijn. Ze kwam glimlachend op Misflits af en Misflits zat haar met tranen in zijn ogen aan te kijken. “Elronde, dat ik jou nog eens mag zien, wat een eer en wat een verrassing. Mijn hart klopt nog steeds voor je.” Elronde knielde neer bij de voeten van Misflits en zei: “Lieve Magistra, want zo heet je echt, eens was je een groot magiër die alleen het goede voor had met deze wereld. Je hielp waar je maar helpen kon om de wereld tot een paradijs te maken. Wij ontmoetten elkaar en werden verliefd. Helaas moesten we elk ons eigen weg gaan, maar jouw liefde voor mij heeft mij  nooit verlaten. Deze liefde kan ik je nu weer opnieuw laten voelen, omdat het nog steeds een deel van jou is, door wie jij was en wie je nu bent. En daarom kan dat deel van jou weer tot bloei komen. Maar ik kan niet alles voor je doen. Er is één deel, wat je zelf zal moeten doen. Maar onze gedeelde liefde voor alles zal je misschien weer voldoende energie geven om op zoek te gaan naar wat je bent verloren. ”Elronde pakte de handen van Magistra.  Op dat moment stroomde er gouden licht door de handen van Elronde. Via de handen van Magistra bereikte deze warme gloed het hart van Magistra. Magistra zuchtte diep en dankte Elronde vanuit het diepste van zijn hart. “Lieve Elronde, wat een geschenk, ik voel dat de warmte van jouw liefde een deel van mijn lichaam weer heeft laten ontdooien. Ik voel mijn hart weer kloppen en ik weet dat ik weer Magistra kan worden. Het is alleen alsof ik nog iets mis.” Het werd weer stil in de kamer. Het viel me op dat het er een stuk warmer was, hoewel het vuur veel kleiner was geworden. Niemand bewoog en ik hoorde iedereen piekeren wat het toch kon zijn wat Magistra nog miste. Elronde keek Magistra met een glimlach aan en ging toen tussen Neuzel en Treuzel in staan. Ze keek hen aan en zei: “Vooruit, zeg het maar wat jullie al de hele tijd denken, niet aan jezelf twijfelen.” Neuzel en Treuzel begonnen wat te draaien en zeiden toen ik koor: “Nou, eh, we dachten zo, dat het misschien wel een goed idee zou zijn om eens te kijken naar, eh we bedoelen eigenlijk, om eh, er is iets wat vergeten wordt enne dat zou wel eens belangrijk kunnen zijn dus misschien dat iemand….” “Ooooh kom op, voor de dag ermee, niet zo tutten, elke keer als jullie iets zeggen is het heel belangrijk, en zo is het altijd al geweest, dus voor de dag ermee” riep Kreukelbaard. Aangemoedigd door de elven, feeën en Elronde, die nog tussen hen in stond, riepen ze ineens allebei: “Het elixer, hij  moet zijn eigen elixer drinken want daar zit zijn eigen passie en liefde voor de wereld en zichzelf in.” Met rode hoofden keken ze in het rond. Iedereen was stil en Elronde lachte. “Natuurlijk, natuurlijk, dat ik daar niet aan gedacht heb” zei Kreukelbaard. Waar is dat flesje met elixer.” “Thuis in de eenzame wouden tussen de zwarte bergen” kraste KRRR.
 Elronde pakte een fluit, die veel op die van Kreukelbaard leek, alleen was deze veel slanker. Ze blies er op en luisterde. “Er wordt voor gezorgd” zei ze met nog steeds diezelfde betoverende glimlach op haar gezicht. “Kan er even iemand naar de rand van het bos gaan, want het wordt zo bezorgd”. Verbaasd keek ik hoe Treuzel en Reuzel opveerden en de deur uit stormden. Tien minuten later kwamen ze hijgend weer terug. Neuzel had in zijn grote handen een mooi flesje met een helder vocht. Treuzel riep dat er boven het bos een Snelheks vloog. Die had verteld dat er een aantal Snelheksen voor hadden gezorgd dat het flesje onmiddellijk opgehaald en verzonden werd. De laatste heks had het bos bijna voorbij gevlogen, zo hard ging ze. Maar omdat Neuzel en Treuzel ineens het bos uitkwamen stormen, zag ze dat ze er al was. En het bos was ook al aan het veranderen. Ze hadden gezien dat het ijs aan het verdwijnen was en het was ook lichter geworden in het bos. Het was nog wel koud en mistig. Kreukelbaard keek Elronde aan en zei: “Het lijkt er op dat jouw aanwezigheid en woorden al een heleboel in beweging hebben gezet. Nu het laatste stukje nog. Magistra, hier is je flesje. Als het klopt wat je zei, dan kun je nu jouw liefde en warmte terugvinden, de warmte en liefde voor alle wezens, alles wat jou verlaten heeft tijdens je toverkunsten als Misflits.” Magistra keek Kreukelbaard aan en vroeg: “Zal ik dan weer voor altijd de Magistra zijn die ik vroeger was?” “Dat ligt eraan” zei Elronde. “Dat ligt aan hoe jij vanaf nu je werk gaat doen.” Magistra antwoordde, dat hij nu voortaan een voorbeeld zou zijn voor de wereld waarin hij leefde. Iedereen mocht eigen keuzes maken over wat hij of zij wilde doen, en hij zou niemand of niets meer met toverformules en drankjes proberen te veranderen in een goed en liefdevol iemand. Ze moesten zelf maar ervaren hoe dat was. En als iemand hulp vroeg bij die keuze dan konden ze bij hem komen logeren om te zien en te voelen hoe het was om in harmonie en met vreugde in een liefdevolle omgeving te leven. Met die woorden zette hij het flesje aan zijn mond en dronk het helemaal leeg. Net toen we dachten dat er niets gebeurde, kreeg Magistra weer kleur op zijn wangen. Zijn kleren kregen een mooie donkerblauwe kleur en op zijn toverhoed begonnen de sterren weer te twinkelen. Magistra stond op en liep naar Elronde en omhelsde haar. “Lieve Elronde, ik heb altijd groot respect voor je gehad, ik heb altijd van je gehouden en zal dat altijd blijven doen. Als je in de buurt bent, staat mijn deur altijd voor je open. Je bent van harte welkom. Dank je wel voor wat je voor mij gedaan hebt”. Op dat moment begon KRRR te kuchen en viel achterover van de stoel. Toen hij weer opkrabbelde was iedereen getuige hoe KRRR van een zwarte kraai, in een veelkleurige papegaai veranderde. “Zo, dat voelt ook weer een stuk beter” kwetterde hij. Iedereen begon te lachen.

Elronde deed de deur van het huisje open en zonnestralen verlichtten het kamertje. We liepen allemaal naar buiten en zagen de winterse kou weer uit het bos trekken. Het leven keerde terug, de bloemen begonnen weer te bloeien, de bomen werden weer groen, de dennen begonnen weer te geuren en langzaamaan hoorden we ook weer dierengeluiden in het bos. Magistra keek dankbaar om zich heen en liet iedere aanwezige weten hoe blij hij was met zulke vrienden. Magistra besloot om nog een tijdje in het bos te blijven en te genieten van al zijn vrienden en de prachtige natuur, om daarna weer terug te keren naar het eenzame woud tussen de zwarte bergen. Hij wilde dat het daar ook weer werd zoals vroeger. Hij zou het ons beslist laten weten en we spraken dan ook af dat hij zijn avonturen regelmatig aan ons zou komen vertellen.

De Kreukelbaarkronieken hfdst 10: Het Stiltebos



                                                     10. Het Stiltebos

“Ik vind, dat het nu wel eens tijd wordt dat we iets verder gaan met uitleggen” zei Kreukelbaard op een zonnige morgen. “Je bent nu vaak genoeg bij ons geweest, je hebt veel gezien en gehoord en je hebt veel vragen gesteld. Ik denk dat je klaar bent om eens wat dieper te gaan duiken in het leven van de kabouters.” “OK”, zei ik, “leuk en ik ben benieuwd naar wat voor nieuwe dingen je me wilt gaan vertellen.” “Nou, ik ga je niet zoveel zeggen deze keer. Het is meer dat jij deze keer gaat luisteren.” “Maar dat doe ik toch al, als ik naar jouw verhalen luister en mee ga op je avonturen? Ik luister hartstikke goed.” “Ja ja, dat zeggen zoveel mensen, maar we zullen zien. Ga maar eens mee naar het Stiltebos.” “Het Stiltebos?” vroeg ik. “Wat valt daar nou te luisteren, of ga je me daar een spannend verhaal vertellen?” “Wacht maar af” zei Kreukelbaard, en zoals zo vaak liep hij zonder nog iets te zeggen weg. Ik besloot dus maar om hem achterna te lopen.
We liepen zwijgend naast elkaar door een stukje bos, over een grasveld met heel veel gekleurde bloemetjes, langs een beekje wat we al springend van steen naar steen over moesten steken, en over een groene heuvel. Boven aangekomen zag ik aan de andere kant van de heuvel een bos liggen. Het had zo, van een afstand gezien, mooie kleuren en ik zag de boomtoppen van de diverse bomen wuiven in de wind. Er waren struiken met vruchten en veel verschillende bomen, naaldbomen, loofbomen , groot en klein. Het was er heel mooi en vredig. Plotseling zei Kreukelbaard: ”Zo ga hier maar eens even zitten en maak het jezelf gemakkelijk. Het is de bedoeling dat we hier wel een poosje blijven.” Ik ging zitten op een plekje half in de zon en half in de schaduw. Ik zorgde ervoor dat ik een boomstam achter me had zodat ik ook lekker kon leunen. Kreukelbaard zei: ”Zo, nu we hier in dit Stiltebos zijn aangekomen ga jij leren luisteren. Dat betekent dat jij gaat leren horen wat wij kabouters ook kunnen horen. Jullie zijn dat als mensen een beetje verleerd, omdat jullie jezelf geen tijd gunnen om echt te luisteren, naar elkaar, naar de natuur en naar jezelf. Er zijn er wel die dit alweer ontdekt hebben, maar ik wil dat jij dit ook weer gaat ontdekken en dat je dit gaat oefenen zodat het weer heel gewoon voor je wordt. En ik hoop dat je dit dan ook met anderen deelt. Het is belangrijk, voor jullie zelf, voor ons de kabouters, en voor de aarde en de dieren. Voor alles. Dus ik wil je vragen om gemakkelijk te gaan zitten en gewoon te luisteren naar wat je hoort.” Ik zei verder niets en ging lekker tegen de boom zitten. Ik luisterde en keek in het rond. Ik keek Kreukelbaard aan die me met een brede grijns in de gaten hield. Hij hield zijn hoofd schuin, waarom weet ik niet. Na wat wel een kwartier leek, kon ik mijn mond niet meer houden en zei tegen Kreukelbaard: ”Nou dit bos heeft wel de juiste naam hoor, ik hoor niets anders dan stilte.”  Kreukelbaard lachte en zei: “Hmm dat had ik wel verwacht ja, en hij heeft het langer volgehouden dan ik dacht.” “He, tegen wie praat je daar, of begin je nu al in jezelf te kletsen?” “Nou nou, je zou beter moeten weten, je bent toch mee geweest naar Eikenhart, dan zou je moeten weten dat wij met bomen kunnen spreken. En ik moet zeggen dat de boom waar jij tegenaan zit geleund, stikt van het lachen, omdat hij jouw gedachten hoorde en hij mij vertelde dat je het zeker niet langer dan 10 minuten zou vol houden.” Ik keek verbaasd naar Kreukelbaard en de boom. Ja, het was waar, ik had Kreukelbaard met Eikenhart horen praten. Het was zelfs zo dat ik dacht, dat ik toen ook iets hoorde. Maar ik was dat even vergeten. “Maar wat heb ik dan volgehouden?” vroeg ik. “Om je mond te houden” zei Kreukelbaard“, en om te luisteren”. “Ja , maar ik hoorde niets”. “Nee je dácht dat je niets hoorde en toen ben je maar gaan praten.” Dat klopte wel, ik hoorde niets maar ik zag aan Kreukelbaard dat hij wel wat hoorde, zo met zijn hoofd schuin en die lach op zijn gezicht. “Ik voelde me ongemakkelijk en omdat ik niks hoorde ging ik maar praten.” “Juist” zei Kreukelbaard, “dat doen heel veel mensen, ze gaan praten of herrie maken om de geluiden in de stilte maar niet te hoeven horen. Ze vinden het ongemakkelijk. En dat is nu precies wat we hier komen doen, luisteren naar de geluiden die tevoorschijn komen uit de stilte. Dus ik wil je weer vragen om goed te luisteren, en niet te gaan praten. Gewoon zitten en niet te hard willen proberen, gewoon lekker zitten en luisteren.”

Ik volgde de raad op van Kreukelbaard, ging even verzitten en sloot mijn ogen. Het zonnetje scheen heerlijk in mijn gezicht en ik begon net te denken dat ik wel een geweldige vriend had aan Kreukelbaard toen ik iets hoorde wat er eerst niet was. Ik hield mijn adem in. Oh, het was niets bijzonders, ik hoorde de wind door de toppen van de bomen ritselen. Maar toch wel vreemd dat het me eerst niet zo was opgevallen. Nu hoorde ik het nog veel duidelijker, de wind deed de blaadjes echt ritselen. En ik hoorde ook ineens een vogel tjirpen. En die vogel kreeg antwoord van een andere vogel aan de andere kant van mij. Ik deed mijn ogen open om dit te vertellen aan Kreukelbaard maar ook hij zat met zijn ogen dicht. Dus ik besloot maar verder te luisteren. Terwijl ik zo zat te luisteren hoorde ik tot mijn verbazing steeds meer geluiden. De wind nam flarden mee van het geklater van water in de beek verderop,  en ik hoorde een zoevend geluid. Toen ik een oog opende om te zien wat dat was, zag ik een grote vogel vliegen. Ineens werd het stil om me heen. Nee, niet echt stil maar het leek wel of mijn oren veranderden, alsof die geluiden die ik eerst hoorde gefilterd werden en ik nog scherper ging horen. Ik hoorde  geritsel in het gras, wat later een muisje bleek te zijn, een hommel kwam voorbij zoemen, en ik hoorde zelfs een eekhoorntje die van tak naar tak sprong. Ik bleef verrast zitten luisteren en merkte dat ik zat te glimlachen. Ik was blij. Dat was gek, niet dat ik blij was, maar dat ik zo stil kon zitten luisteren en daar vrolijk van kon worden. Ik leunde nog verder naar achter en legde mijn hoofd tegen de boom. Ik viel bijna in slaap. Ik weet niet meer of ik droomde, maar ineens hoorde ik een soort gezoem. En een wat bonkend geluid. Terwijl ik half slapend bleef luisteren zei er een heel lage stem: ”Dat ben ik, die je nu hoort.” “En wie is dat dan wel?” dacht ik. “Ik, de boom”, was het antwoord. En zonder dat ik het me heel bewust was kon ik ineens praten met de boom. Maar niet met mijn stem, maar in mijn hoofd. Het was alsof het hele wezen van de boom in mijn hoofd zat en ik precies kon horen wat de boom zei, dacht of voelde. De boom liet mij weten dat hij al 80 jaar oud was en het hier heel erg naar zijn zin had. De boom voelde zich vereerd dat ik contact met hem wilde maken. Ik vertelde hem dat ik in opdracht van Kreukelbaard aan het leren was om te luisteren. “Ja” zei de boom, ”Kreukelbaard is een goede vriend van mij en het is mooi dat hij jou dat leert. Want er is veel te vertellen, we willen veel kennis met jullie delen. Je zult vanaf vandaag steeds meer gaan horen, als jij dat wilt en alleen op de momenten dat jij dat wilt. Bijvoorbeeld als je vragen hebt, dan kun je dat ook aan ons vragen, maar ook aan de kabouters, elfjes, feeën of aan de dieren en zelfs aan jezelf. Je krijgt altijd antwoord als je goed luistert. Je zult ook steeds meer mensen ontmoeten die dit al weten. Sommigen zul je hardop horen praten als ze bij een boom staan, of midden in een veld met bloemen. Lach ze niet uit, je weet nu wat ze aan het doen zijn. Weet dat je altijd welkom bent met vragen, maar ook om samen met ons gewoon te genieten van wat er is, en plezier te maken. Laat het ons weten, als er iets gedaan moet worden.”

Ineens werd ik wakker doordat de boom bewoog. Ik was verbaasd, want de wind was gaan liggen maar toch voelde ik de stam bewegen. Ik sprong op en keek naar de boom, maar daar was niets aan te zien. Kreukelbaard lag over de grond te rollen van het lachen. “Waarom lach jij zo?” vroeg ik. “Hi hihi ha ho ik had de boom gezegd dat het tijd werd om te gaan en gevraagd of hij jou wakker wilde maken.” “Dus ik heb echt zitten slapen, en heb alles gedroomd?” “Nee” zei Kreukelbaard en tegelijk hoorde ik geritsel van de takken. Toch zag ik ze niet bewegen, er was ook geen wind. “Nee, jij hebt niet zitten slapen maar je was wel goed aan het luisteren en je hebt een hoop geleerd.” “Kunnen bomen dan echt praten?” ”Jazeker, alles heeft een stem als je dat zo wilt noemen, en we kunnen alles verstaan, maar je moet je wel kunnen afstemmen op datgene, of diegene die tegen je praat. Als ik bijvoorbeeld tegen je praat en je bent ergens anders mee bezig dan merk je me wel op maar je hoort niet wat ik zeg. Je moet je dus bewust op mij afstemmen en op wat ik zeg. En deze eerste keer heb je dat gedaan met de boom in een toestand die wel op slapen lijkt, maar dat niet is. Kom we gaan naar huis en onderweg zul je wel gaan begrijpen wat ik bedoel.” We stonden op en we wilden vertrekken, maar Kreukelbaard ging nog even bij de boom staan en ik zag hem lachen. Misschien hoorde ik hem ook wel praten. En ik weet zeker dat ik weer het geritsel van de takken hoorde. “Wat heb je net tegen de boom gezegd?” vroeg ik aan Kreukelbaard. “Ik heb de boom bedankt voor zijn hulp om jou te leren luisteren.” “Ja ja” zei ik, en Kreukelbaard lachte luid. Terwijl we samen naar huis liepen viel het me op dat ik in het veld met de bloemetjes een gegons van jewelste opmerkte. “Moet je horen wat die bijen een herrie maken” zei ik.  Kreukelbaard lachte weer en zei: ”Ach, niet anders dan op de heenweg hoor.” Verbaasd liep ik achter Kreukelbaard aan. Zou ik dan toch beter zijn gaan luisteren. Ik ga er in ieder geval wel vaker op letten. En op dat moment vloog er een luid kwetterende groep zwaluwen over ons heen alsof ze wilde zeggen: ”Gefeliciteerd, we zijn blij met jou.”