donderdag 19 juli 2018

De Kreukelbaardkronieken: hoofdstuk 6



                                           6. Het verdrietige elfje

Toen ik na het bezoek aan Hollenkom samen met kabouter Kreukelbaard naar huis liep, riep Kreukelbaard me ineens terug.  Ik was al bijna het bos uit en Kreukelbaard stond nog op de plek waar we afscheid hadden genomen. Weer vond ik het bijzonder dat ik zijn stem kon horen terwijl hij toch zo ver weg was. Het lijkt wel of hij met mij kan praten zonder zijn stem te gebruiken en alsof ik hem gewoon in mijn hoofd hoor. Ik liep dus maar terug naar Kreukelbaard en vroeg hem wat er aan de hand was. “We moeten nog even op bezoek bij een elfje”, zei hij. “Oh, hoezo?” “Nou ik hoorde net dat we even met haar moeten gaan praten.” “Gehoord? Van wie dan? Er is hier niemand, en ik heb nog geen enkele kabouter gezien met een telefoon.” “Juist beste jongen, wij praten ook op die andere manier weet je nog, gewoon door de lucht vanuit ons hoofd, net zoals ik ook net met jou heb gedaan.” “Oh ja, maar waarom gaan we nou naar haar toe en waarom vraag je mij mee?” “Omdat het belangrijk is dat we het elfje zien en spreken en omdat het goed is voor jou om dit mee te maken en verder te vertellen.” Zonder iets verder te zeggen gingen we op stap naar een heel donkere plek in het bos. Kreukelbaard wist precies waar hij moest zijn en liep regelrecht op een heel grote en oude boom af. Kreukelbaard zei tegen de boom: ”Bedankt lieve beuk, dat je me geroepen hebt. Waar zit ze verscholen?” Ik snapte er niets van, waarom zou een elfje zich verschuilen? De boom ritselde wat met zijn bladeren en Kreukelbaard keek naar boven. Ik deed het zelfde en zag hoe de boom een beukennootje liet vallen, nou ja vallen, het werd meer weggeslingerd door een zwiep van een van de takken. Het beukennootje beschreef een weide boog en viel vele meters verder op de grond, achter een heuveltje. “Dank je wel”, riep Kreukelbaard en hij liep naar die plek toe. Hij keek achterom en wenkte me dat ik mee moest komen. Net over de heuvel heen geklommen zagen we een verdrietig elfje zitten. Het was een prachtig elfje, eentje die je eigenlijk nooit ziet, zo uitzonderlijk mooi was ze. Ze had hele fijne doorschijnende witte vleugeltjes. Ze had een heel mooi jurkje aan van een kleur paars die zo prachtig was dat ik er stil van werd. Het haar van het elfje hing in goudblonde krullen langs haar hoofd op haar schouders. Ze zat op de grond op het mos met haar beentjes onder zich opgetrokken en haar kinnetje op haar knieën. Kreukelbaard liep naar haar toe en ging naast haar zitten en vroeg wat er aan de hand was. Het elfje snikte even en zei dat ze zich zo anders voelde dan de andere elfjes. Terwijl de andere elfjes allemaal werkjes deden en hun taak uitvoerden, zat zij hier maar te wachten tot ook zij iets kon gaan doen. Maar er was voor haar niets te doen, of misschien kreeg ze wel geen werkje om te doen omdat ze het niet kon. En niemand van de andere elfjes zei iets tegen haar. Ze keken wel maar kwamen nooit een praatje met haar maken. Vast en zeker omdat ze zo dom en anders was. “Maar lief elfje”, zei Kreukelbaard, “kijk nou eens naar jezelf. Je bent oh zo mooi. Je bent denk ik wel de mooiste elf die hier rond vliegt. Met je mooie ragfijne vleugeltjes die zo perfect parelwit zijn dat ze zelfs de kleur van je jurk terugkaatsen. En dan je jurk, zo mooi paars, ik denk de mooiste kleur paars van het bos. Het lijkt wel betoverend. En samen met jouw gouden haren en je groene ogen maakt het dat je inderdaad een bijzonder elfje bent, niet anders maar bijzonder. Want weet je, je bent zo mooi dat de andere elfjes denken dat jij een soort elvenkoningin bent, en dat het heel gewoon is dat jij geen werkjes doet.” “Echt?” zei het elfje, “meen je dat echt?” En ze keek naar mij. Ik zei op mijn manier dat ik nog nooit in mijn leven zo’n mooi elfje had gezien, wat heel erg waar was, want ik had zelfs in het echt nog nooit een elfje gezien. “Maar waarom praten ze dan niet met me, denken ze dan dat ik iets bijzonders ben waar je niet mee kunt praten of zo”, vroeg het elfje. “Nee joh dat doen ze uit eerbied, ze weten niet eens of ze wel met jou mogen praten, omdat je eruit ziet als een elvenkoningin.” “Oh!” zuchtte het elfje. Ze ging rechtop zitten en keek voor het eerst tijdens het gesprek rond. Heel veel andere elfjes waren om haar heen gaan zitten en keken haar aan.


 Toen zei Kreukelbaard tegen het elfje: “Ik denk dat er wel een heel goed werkje voor jou ligt te wachten, maar dat is een heel lastig karweitje hoor.” Het elfje keek nieuwsgierig op naar Kreukelbaard. “Hier verderop is een veld en ik denk dat jij daar heel goed werk kan verrichten. Dat veld heeft weinig kleur en jij met je mooie jurkje straalt zoveel mooi paars licht uit dat je het vast wel leuk vind om daar iets mee te doen voor dit veld.” Het elfje werd helemaal blij en begon nog meer te stralen als ze al deed. De andere elfjes begonnen te klappen en te juichen, want dit was het moment waarop ze hadden gewacht. Kabouter Kreukelbaard nam het elfje mee naar het veld waar hij haar wees waar ze moest gaan zitten. Op het moment dat ze op een bruine struik ging zitten werd haar jurk diep paars en begon te stralen, zo mooi dat iedereen er stil van werd. “Ik denk”, zei Kreukelbaard, “dat jij het eerste elfje wordt dat deze struiken voortaan kleur kan geven. Een heel belangrijke taak, alleen geschikt voor een elfje met de mooiste stralende jurk en vleugels.” Intussen was het elfje op een ander takje gaan zitten, en het takje waar ze vandaan kwam was prachtig paars gekleurd, met hele kleine bloemetjes. Ach wat was het elfje blij. En een voor een kwamen de andere elfjes haar feliciteren en vroegen ze of ze haar mochten helpen met het inkleuren van dit veld. “Ho ho wacht even”, zei Kreukelbaard, “ik vind dat dit een goed moment is om het elfje eerst een mooie naam mee te geven. Ik vind dat ze vanaf vandaag Erica mag heten.” “HOERAAAA” riepen alle elven in koor, en Erica was hartstikke blij en trots. En voortaan komt Erica altijd halverwege de zomer de bloemetjes van deze velden paars kleuren. Ga zelf maar eens kijken hoe mooi paars deze velden kunnen worden. En Erica? Nou die werd heel gelukkig.

Toen ik door Kreukelbaard weer naar huis gebracht werd zei hij: ”Zo zie je maar weer, denk nooit dat je anders bent en daarom niet mee doet, of iets verkeerd doet. Het is zo makkelijk om dat te denken. Maar eigenlijk is het zo dat elk wezen dat leeft iets moois in zich heeft. Of het nou een elfje is, een kabouter, een boom, een plant of een dier. En dat geldt natuurlijk ook voor de mensen. Het is alleen de kunst om iets te vinden waar jij heel goed in bent en wat je heel erg leuk vind om te doen. En als je dat gaat doen ga je net zo stralen als Erica en zal je iedereen blij kunnen maken en verrassen met jou speciale werkjes. Dus nooit aan jezelf twijfelen, en als je ooit iemand als Erica ontmoet, help die dan net zoals ik gedaan heb. Wil jij dit doen in jou mensenwereld en dit verder vertellen, want het is belangrijk dat we elkaar allemaal helpen.” Ik beloofde het Kreukelbaard plechtig en toen ik weer thuis was ben ik dit meteen gaan opschrijven. Voor jou, omdat je geweldig bent en ik nu al weet dat jij heel veel mensen blij kunt maken met waar jij goed in bent en plezier in hebt, al kun je dat nu misschien nog niet zo gauw zien. Maar geloof erin, vraag de elfjes of kabouters om je te helpen en ze zullen er zijn.

De Kreukelbaardkronieken: Hoofdstuk 5


 
                                                        5. Tijd

Al meer dan een week heb ik nu kabouter Kreukelbaard niet meer gezien. Ik heb geen idee waarom. Het enige dat ik weet is dat ik het veel te druk heb om aan hem te denken. Vandaag is het eindelijk weer een beetje rustig en nu ik hier zo lekker zit met een kopje thee en een koekje moet ik ineens weer aan Kreukelbaard denken. En dus ook aan hoelang ik hem al niet gezien of gehoord heb. Ik heb zelfs niet meer aan hem gedacht. Meestal laat Kreukelbaard zelf wel wat van zich horen. Maar nu, niets. Zou er misschien wat aan de hand zijn?
“Nee hoor”, hoor ik plotseling uit het hoge gras achter me. En daar staat kabouter Kreukelbaard. “Nee hoor er is niets met mij aan de hand, maar is er iets met jou aan de hand?” vraagt hij me. “Nee, hoe zo?” vraag ik terug. “Nou, jij vraagt je af of er met mij iets aan de hand is omdat je mij al lang niet gehoord of gezien hebt. Maar ik ben al die tijd echt in de buurt geweest, ik heb jou wél gehoord en gezien. Is het misschien ooit in je opgekomen dat jij het misschien te druk hebt om mij te zien of te horen?” Ineens voel ik dat ik rode wangen krijg. Ja, ik weet dat als je met de natuurwezens contact wil hebben je wel rustig moet zijn, tijd moet nemen voor jezelf en om echt te kijken en te luisteren naar je omgeving. En ik heb me al die tijd zo druk gemaakt dat ik het was die geen contact meer kreeg met de kabouters. Tja, dat was wel een lesje voor me. Af en toe de tijd nemen om te spelen, te dromen of te fantaseren. En was het allemaal nou zo belangrijk wat ik gedaan heb, om geen tijd meer te maken om af en toe even naar mezelf te luisteren of naar de kabouters? Nee dus.
“Ja, sorry Kreukelbaard, je hebt gelijk.” “OK” zei Kreukelbaard, “heb je nog zin om vandaag mee te gaan? We gaan op bezoek bij de kabouters in de Hollenkom.” “De Hollenkom?” vroeg ik, “wat is dat nu weer?” “Nou dat zal je wel zien als we er arriveren.” Dat wilde ik wel eens beleven en dus gingen we op weg. Zoals gewoonlijk wist Kreukelbaard weer precies de weg en na een tijdje arriveerden we aan de rand van het bos waar we doorheen waren gelopen. Ik had geen idee waar we waren want het zag er hier heel anders uit dan ik gewend was. Het bos hield hier wel op maar de bosrand  liep als een halve maan naar links en rechts van mij vandaan. Recht voor mij uit stond een veld met goudgeel koren waartussen ik ook klaprozen zag staan, en zonnebloemen. Ik hoorde bijen zoemen en ik rook zoete geuren die waarschijnlijk van de bloemen afkwamen. Ik heb nooit geweten dat klaprozen zo lekker konden ruiken. Als ik nog verder keek zag ik dat de bosranden weer naar elkaar toekwamen maar helemaal aan de andere kant van het veld een opening lieten waar ik ver doorheen kon kijken en alleen maar lucht zag. Kreukelbaard keek me aan en zei: ”Welkom in Hollenkom.”  “Ja ik zie waarom het hier Hollenkom heet, want dit veld ligt in een soort kom, ingesloten tussen de bomen en je kan het veld van buitenaf alleen maar door die opening zien.” “Ja dat is één manier om het te zien” zei Kreukelbaard “maar wacht nog maar even af.” Meteen ging hij weer verder op pad over een heel klein weggetje door het koren. Zo klein dat ik het niet eens opgemerkt zou hebben en er gewoon langs zou zijn gelopen. Ik liep achter Kreukelbaard aan en langzaamaan hoorde ik steeds meer geluiden. Ik hoorde stemmetjes, ik hoorde gezucht en gesteun, geritsel, van alles.  En toen zag ik het. Ineens kwamen we aan op een heel grote open plek waar allerlei huisjes stonden en waar de geluiden vandaan kwamen. Het waren andere huisjes als ik van kabouters gewend was. Ze waren wat langwerpiger, met meer schoorsteentjes, er stonden overal karretjes, en ik zag heel veel kabouters heen en weer lopen, nou ja lopen, meer dribbelen. Alsof iedereen haast had.  We liepen tussen de huisjes door, de open plek op en ik zei diverse kaboutertjes gedag. Kreukelbaard niet. Het viel me ook op dat geen van de kabouters ons kwam begroeten. We liepen door en kwamen bij een  huisje aan welke groter was als de rest. Hier gingen we naar binnen. Daar was het een drukte van belang. Overal renden kabouters heen en weer, liepen te jouwen met zakken, kratjes, of liepen met gereedschap . Ik zag kabouters met houten balkjes slepen, en kabouters met verfpotjes sjouwen. “Wat is hier aan de hand?” vroeg ik Kreukelbaard. Kreukelbaard zei: ”Dit is het kaboutercentrum voor de seizoenen.  Hier worden alle voorbereidingen getroffen om de natuur voor te bereiden op de vier seizoenen. Je ziet kabouters met kruiwagens en gereedschap om de blaadjes van de bomen roodbruin te kleuren, of ze ervan af te halen voor de herfst. Of je ziet kabouters rond lopen met zaadjes om te zaaien in de zomer. Of om eikeltjes en beukennootjes in de winter uit te delen die ze eerst in de herfst hebben verzameld. De bossen en de dieren moeten elk jaargetijde verzorgd worden. Veel doen de bomen, planten en dieren zelf, maar we moeten zo nu en dan best wel een handje helpen. En dat gebeurt hier vanuit dit seizoenen centrum.” Ik keek nog eens rond en zag inderdaad  de kabouters heel druk en driftig rond dribbelen met hun spulletjes. Er kwam een kabouter op ons af die een grote bos takken droeg. Ik zei hem gedag, maar hij zei niets terug. Hij keek niet eens op. Net zoals ik de andere kabouters ook al eerder had zien doen. Ik vroeg ernaar bij Kreukelbaard. “Waarom zeggen ze niets terug?” “Wat denk je?” zei Kreukelbaard. “Laat het eens goed op je inwerken wat hier plaatsvindt. Je moet hier vast wel wat van herkennen.” Kreukelbaard had een geheimzinnig lachje op zijn gezicht. Ik keek hem niet begrijpend aan en hij zei: ”Denk eens aan afgelopen twee weken.” “Wat?”, zei ik, “je wilt toch niet zeggen dat zij, die kabouters daar, nu net zo druk zijn als ik gedaan heb?” “Ja zeker wel. Ook kabouters hebben hier last van en speciaal deze kabouters die alleen voor de seizoenen werken. De seizoenen zijn soms heel onvoorspelbaar, soms moeten ze ineens heel hard werken om alles voor elkaar te krijgen. En kabouters zijn harde werkers. Alleen, deze kabouters zien altijd zoveel werk wat ze kunnen doen dat ze altijd maar doorgaan en doorgaan, en dat is niet goed voor ze. Kabouters horen ook veel feest te vieren, dat heb je al een keer gezien hè? Dus daarom zijn we vandaag hier. Om de tijd te resetten, stop te zetten en opnieuw te starten. Daarom heet het hier ook Hollenkom. Het heette hier vroeger eigenlijk Hol en Kom. Dat is de eigenschap van deze kabouters, hollen en weer terug komen omdat er nog meer werk is. Dat is later voor het gemak Hollenkom geworden. Maar nu moeten wij aan het werk.” “Wat gaan we dan doen?” vroeg ik. “Nou vorige keer toen we bij kabouter Eikenhart waren heeft hij me ook verteld dat de natuur deze weken even rustig aan doet. Er zullen even geen stormen, of hevige regens zijn, ook geen grote droogte en alles komt even tot rust. Dat is dus ook het moment dat de kabouters hier tot rust mogen komen maar dat moeten we ze wel even laten weten, deze harde werkers, en dat gaan we dus nu doen. Kom mee dan laat ik je zien hoe.”



We liepen door het kabouterstadje naar een wat hogere boom. Aan die boom hing een klok waarvan de wijzers almaar aan het ronddraaien waren, alsof die dolgedraaid waren. Er zat ook een vogel bij die steeds maar weer “koek koek, koek koek” riep. Kreukelbaard liep naar de boom, opende een deurtje en haalde de koekoek naar binnen. De wijzers gingen langzamer lopen en stonden toen ineens stil. “Zo dat is dat, die is voorlopig weer even stil.” Op het zelfde moment dat de klok stil bleef staan viel er over het dorp een kalme rust. Ik keek achterom en zag dat de kabouters hun spulletjes aan het opruimen waren en dat ze allemaal verdwenen in hun huisjes. Het werd stil, heel stil. “Zo en nu gaan we wachten” zei Kreukelbaard. “Waar wachten we dan op?” vroeg ik. “Totdat de kabouters van Hollenkom weer wakker worden, zichzelf worden en weer tevoorschijn komen. Intussen gaan wij lekkere brandnetelthee drinken met een korenkoekje erbij.” Toen we zo een uurtje in de schaduw van een mooie boom zaten te genieten van onze thee, zagen we langzaam een paar deurtjes open gaan . Een voor een kwamen de kabouters weer naar buiten, ze gingen allemaal bij elkaar staan in een grote groep en toen alle kabouters er weer waren steeg er een heel hard gejuich op en vlogen alle puntmutsjes de lucht in. De kabouters vielen elkaar in de armen, knuffelden elkaar en begonnen feest te vieren. Een kabouter kwam naar ons toe en bedankte Kreukelbaard dat hij weer langs was gekomen. “Ja het is weer tijd voor een feestje hè?” zei Kreukelbaard. We werden allebei uitgenodigd om mee te doen met het feest, dat de verdere dag en een groot deel van de nacht duurde. Het was wel duidelijk dat de kabouters het weer heerlijk vonden om elkaar zo te zien, in alle rust en plezier. En dat deed me herinneren dat ik dat ook maar moest gaan doen, af en toe even goed voor mezelf zorgen, even goed uitrusten om met de mensen waar ik van houd plezier te maken. Het is wel duidelijk dat dit ook heel belangrijk is. Ik keek naar Kreukelbaard en hij lachte breed. “Je hebt je les geleerd zie ik”, zei hij. Ik knikte. “Goed zo, dan is het nu weer tijd om naar huis te gaan. Tot de volgende keer”. “Dank je wel Kreukelbaard, en ik zal beloven om goed te blijven luisteren en te kijken naar alles en iedereen waar ik wat van kan leren.

zaterdag 23 juni 2018

Hfdst 4. Uilenbabbels




                                              4. Uilenbabbels    

Ik moest vanmorgen sterk denken aan kabouter Kreukelbaard. Ik ben al een paar dagen niet met hem op stap geweest en ik was alle eerdere avonturen alweer een beetje vergeten. Maar vanochtend stond ik op en moest meteen aan hem denken. Volgens mij gaan we elkaar vandaag weer ontmoeten. Ik was eigenlijk niet van plan om naar het bos te gaan maar ja, nu bleef het idee aan me knagen dat hij daar misschien op mij zou staan wachten. Ik maakte dus mijn ontbijtje klaar en maakte meteen een extra paar boterhammetjes voor onderweg, hoewel ik wist dat er in het bos voldoende lekkere dingen aanwezig waren om geen honger te krijgen. Dat had ik wel van Kreukelbaard geleerd.
Terwijl ik zo bezig was hoorde ik een vreemd getik. Ik dacht eerst dat het begon te regenen of dat het de vogeltjes waren die om brood kwamen vragen. Dat gebeurde de laatste tijd wel vaker. Sinds ik met Kreukelbaard om ga lijkt het wel of er veel meer onverwachte dingen gebeuren, zoals vogeltjes die gewoon op de deurmat komen zitten of op de rugleuning van de tuinstoelen komen zitten en naar binnen kijken alsof ze willen vragen: ”Nou heb je nog een stukje brood?”  Hoor, daar is het getik weer. Ik besloot bij het raam te gaan kijken en daar zag ik een eekhoorntje. Nu woon ik dicht bij het bos maar een eekhoorntje onder mijn raam, dat had ik nog nooit gezien. Ik keek naar het eekhoorntje en het leek wel of deze wilde zeggen dat ik mee moest komen. Het bleef heen en weer huppelen tussen het bospad en het raam. Ik besloot gauw mijn spulletjes te pakken en achter het eekhoorntje aan te lopen. Al gauw kwam ik aan de rand van het bos waar een ongeduldige Kreukelbaard stond te wachten. ”Hè hè, ben je daar eindelijk. Heb je me niet gehoord soms?” “Gehoord?” zei ik, “ik heb je helemaal niet gehoord, alleen moest ik aan je denken toen ik wakker werd.” “Ja dat bedoel ik, heb je me gehoord?”, zei Kreukelbaard. Ik was weer verbaasd. Kon Kreukelbaard met mij praten terwijl hij niet eens in de buurt was? Ik had niet veel tijd om erover na te denken want Kreukelbaard liep al met een flink tempo het bos in. “Waarom heb je zo’n haast?” vroeg ik. “Omdat het vandaag een belangrijke dag is, we krijgen bezoek.” Ineens moest ik weer terug denken aan het bezoek aan Eikenhart. “Oh ja, wie komt er nu eigenlijk?” vroeg ik . “Vandaag krijgen we bezoek van de grote wijze uil” zei Kreukelbaard. “Die komt langs om feest te vieren.” ”Om feest te vieren, zo maar?” “Ja”, zei Kreukelbaard. “Feest vieren is belangrijk. Dat is het eerste wat kabouters leren, om goed feest te kunnen vieren. Het is niet de bedoeling dat we alleen maar werken en zorgen voor de bossen, de planten en de dieren, maar we mogen ook feest maken. Op die manier komen we dan allemaal bij elkaar, dansen en zingen we samen. Alle kabouters kunnen dan lekker bijpraten en zo blijven we op de hoogte van wat er allemaal gebeurt in kabouterland. En zo blijven we ook allemaal blij en vredig. Feestvieren is belangrijk. Als je iets gedaan hebt wat voor jou heel goed was of waar je een heel goed gevoel van over hebt gehouden, dan heb je toch een reden om feest te vieren? Dat zijn jullie vergeten hè? Je mag om de kleinste dingen feest vieren hoor. En je moet het regelmatig doen en het hoeft helemaal niet zo’n groot feest te zijn als je denkt. Jullie vieren te weinig feest en als je dan een feestje viert, wordt het gauw een heel groot feest en is het feest vaak niet leuk meer. Het moet spontaan zijn. Kom we gaan gauw naar kabouterdorp want ze wachten al op ons.” Na een halfuurtje lopen kwamen we in kabouterdorp aan. Kleine huisjes stonden her en der verspreid tussen en in de bomen. Kabouters zaten op paddenstoelen, elfjes vlogen van bloem naar bloem. Toen ik goed keek zag ik dat iedereen bezig was om iets voor te bereiden voor het feest.  Ik zag elfjes met gekleurd stuifmeel een grote tafel versieren die in het midden van het dorp stond. Andere elfjes brachten kleine bloemblaadjes mee. Bijtjes namen honing mee aan hun pootjes en lieten de druppeltjes honing  in kleine kommetjes vallen. Ik zag kabouters sjouwen met kleine tonnetjes waar drank in zat. Tonnetjes met bier en wijn, die ze zelf gemaakt hadden. Ik zag lieveheersbeestjes die als versiering op de tafel gingen zitten en een lang kleurig lint maakten. Verschillende vogels maakten muziek en zongen hun hoogste lied. Er waren kabouters bezig met een mooi groot vuur waar een grote steen op lag, en op die steen werden lekkere zoete broodjes gebakken. Heerlijk rook het hier en het zag er zo leuk en lief uit. Iedereen die op het feest kwam deed iets om het feest tot een succes te maken. “En waar is nu de wijze uil?” vroeg ik. “Oh die komt zo. Die is even aan het rusten voordat het feest begint. Hij heeft een heel eind moeten vliegen voor hij hier was. En weet je, eigenlijk slapen uilen overdag. Hij zal zo wel komen want hij opent het feest.” Ik zag dat iedereen al een beetje een plaatsje uitzocht aan tafel of bij het vuur. En er werd heel gezellig gepraat over waar iedereen de afgelopen tijd mee bezig was geweest. En er werd gelachen.
Toen iedereen klaar was en op een plekje zat zei Kreukelbaard dat het tijd was voor het grote kabouterlied. Meneer Uil zou dan vanzelf wel komen. Elfjes en vogels en een paar kabouters begonnen met de muziek en alle kabouters begonnen te zingen:
Hé ha, hé ho, hé hei
Het leven maakt ons blij,
Kabouters weer bijeen,
Humeurig is er geen,
We zingen, dansen en eten,
En zorgen worden vergeten,
Kabouters, elfjes en dieren,
Bijeen om het feest te vieren.

Toen het lied af was klapten alle aanwezigen om het hardst, kabouters en elfjes in hun handen, de dieren met hun pootjes, vogels met hun vleugels en zelfs de bomen, planten en bloemen deden mee. Het was zo’n vrolijke boel. En toen werd het stil. Héél stil. Van de uil was nog niets gezien. “Hij is er toch wel?” vroeg ik aan Kreukelbaard. Hij zei niets. Ik zag iedereen heel stil worden. Iedereen keek naar elkaar. Niemand die iets zei of deed. Toen stond er een kleine kabouter op en zei: ”Waar is meneer Uil?” Niemand gaf het antwoord. Kreukelbaard stond op en zei: ”Iemand moet gaan kijken waar hij blijft. Misschien is er wat gebeurd of slaapt hij gewoon nog.” “Nou”, zei een andere kabouter, “ga jij dan eens kijken, jij kent meneer Uil het best.” En zo gezegd zo gedaan. Kreukelbaard ging het bos in waar meneer Uil normaal in zijn boom zat. Toen we dichterbij kwamen hoorde we een raar geluid: ”oehoehk, oehoehk, hik hik oehoehk.” “Wat is dat nou?” zei Kreukelbaard en rende vooruit. Daar zat meneer Uil op de grond. In een grote plas kabouterbier, wat uit een kapotte bierton was gestroomd. “Wat is er gebeurd meneer Uil?” “Oehoehk, ik schaam me zo, ik durf de kabouters en de dieren en elfjes zo niet meer onder ogen te komen. Ik als wijze uil oehohk. Oh wat erg.” “Maar meneer Uil, bent u soms dronken?” “Nou niet dronken maar wel aangeschoten.” Een aangeschoten uil, dacht ik, het moet niet gekker worden. “Maar waarom heeft u dan al dat bier opgedronken?” “Opgedronken?” zei meneer Uil, “ik moest vechten voor mijn leven, ik werd ineens door die ton aangevallen, en ik sloeg om me heen met mijn vleugels waardoor de ton brak en toen verdronk ik bijna in het bier. Ik moest het wel drinken zeg.” Kreukelbaard begon heel hard te lachen en de wijze uil keek de andere kant op. “U heeft een mooie babbel meneer Uil maar ik denk dat ik weet wat er gebeurd is. U zat daar op die tak te slapen, en een vergeetachtige kabouter heeft hier die ton achtergelaten. Toen u ons hoorde zingen schrok u wakker en”….”Ja ja ja laat maar” zei meneer Uil, “je hebt gelijk…ik ben in de ton gevallen. Oehoehk hik. En nu kan ik mijn toespraak niet meer houden want ik heb steeds de hik oehoehk.”  “Ach kom nou meneer Uil, u kunt gewoon naar ons feest komen en ik zal iedereen wel even voorbereiden.” Kreukelbaard liep terug naar het feest en vertelde dat meneer Uil zo zou komen. Meneer Uil had nog even tijd nodig omdat hij had begrepen dat er niet veel te vertellen viel. Alle aanwezigen hadden alle reden om feest te vieren, alleen al doordat ze zo goed met elkaar omgingen en een voorbeeld waren voor alle anderen. Meneer Uil verscheen uit het bos en alle aanwezigen gingen staan om hem goed te zien. Meneer Uil deed zijn toespraak met heel veel keertjes “oehohk hik” en het viel alle kabouters op dat deze toespraak heel anders was dan anders. Niemand begreep er veel van. Toen meneer Uil uitgesproken was werd het stil. Niemand wist hoe ze moesten reageren, totdat een kleine ondeugende kabouter zei: ”Nou dat waren mooie uilenbabbels hoor maar mag ik nou taart?” Iedereen begon hard te lachen en het feest barstte los. Meneer Uil was opgelucht dat hij gewoon mee kon feesten zonder dat hij een vreemde naam had gekregen. Maar de kabouters van het bos wisten wel beter!!

vrijdag 8 juni 2018

Hoofdstuk 3: Eikenhart


                                                   3. Eikenhart

Vandaag, zo vertelde Kreukelbaard me, zouden we een heel oude kabouter gaan opzoeken. Eens in het jaar gaat Kreukelbaard daar naar toe omdat deze kabouter een van de boom-kabouters is die hij altijd om raad vraagt. Ik vroeg aan Kreukelbaard waarom hij om raad zou moeten vragen. Ik dacht dat kabouters alles wisten. “Ha ha” lachte Kreukelbaard, “we weten veel ja, maar er gebeurt ook zoveel op deze aarde, en er is ook zoveel te doen op deze aarde dat we wel af en toe bij deze kabouter langsgaan om even te overleggen. Soms zijn we ergens anders nodig, waar meer hulp gewenst is doordat er ergens een stuk bos wordt gekapt en we de dieren die daar normaal wonen moeten helpen een andere plek te vinden. Of om het evenwicht weer te herstellen als er veel bomen verdwijnen. Dan moeten we soms tegenmaatregelen nemen en iets anders verzinnen.” “Oh”, zei ik, “dat heb ik nooit geweten en ik denk dat een heleboel andere mensen dat ook niet weten.” “Ach, er zijn nog zoveel dingen die jullie mensen niet weten. Dat is niet erg, dat komt wel goed, als jullie maar eens een beetje gingen nadenken, net zoals jij dat nu doet.” “Ik?” zei ik. “Ja jij, want jij staat open voor wat je nu hier meemaakt. Anderen zouden hierom lachen en zeggen wat een onzin, al die sprookjes. Jij bent bereid om verder te kijken, verder te denken en verder te geloven. Sommige mensen noemen dat fantaseren. Maar misschien zijn al jullie sprookjes ooit allemaal wel eens echt gebeurd!!!” Met die woorden ging Kreukelbaard op stap het bos in en riep achterom of ik wilde volgen.
Ik ging hem achterna een bos in, wat me echt oud leek. Grote knoestige bomen met dikke takken en veel mos op de stammen. We liepen tussen de bomen door en Kreukelbaard wist precies welke paadjes hij moest nemen. Hij wist precies waar we een beekje over konden steken, al huppelend van steen naar steen. En bijna gleed ik een keer uit. Zo soepel als die oude kabouter dat deed zeg, zo lastig vond ik het om op die stenen te blijven staan. Al lopende plukte Kreukelbaard bessen en liet ze me proeven. Hmm heerlijk, en ik zei: “Wat een heerlijke frambozen, dat die hier zo maar groeien.” “Frambes” zei Kreukelbaard. “Pardon frambes? Framboos zal je bedoelen.” “Nee” zei Kreukelbaard, “want deze vrucht is nooit bóós maar altijd zoet, en heet dus gewoon frambés. Jullie mensen hebben deze bes gewoon framboos genoemd.” Ik keek Kreukelbaard ongelovig aan maar hij liep al verder. Even later vertelde hij me dat we op weg waren naar kabouter Eikenhart. Kabouter Eikenhart was een heel oude kabouter van ongeveer 980 jaar. Niemand wist het precies en niemand durfde het ook te vragen. “Eikenhart is een hele goede kabouter en weet veel van de omgeving. Bij hem kunnen we alles vragen. We zijn er bijna. Vandaag ga ik naar hem toe omdat we hoog bezoek krijgen in het bos en ik graag wil weten wat wij in het bos moeten regelen voor dit bezoek.” “Wie komt er dan” vroeg ik. “Dat weet ik nog niet en ik zal dát ook wel horen. Het moet in ieder geval een groot feest worden. Zo nog een klein stukje en dan zijn we er.” Al een tijdje was het me opgevallen dat het bos hier heel stil was, en vredig. Alle bomen stonden heel recht en statig. “Zo, hier zijn we dan” zei Kreukelbaard. “Mag ik je voorstellen aan kabouter Eikenhart?” Ik keek op, keek om me heen, naar links en rechts, maar zag geen kabouter. Ik durfde Kreukelbaard niet te vragen waar hij dan was. Ik dacht dat ik hem gewoon niet kon zien en alleen Kreukelbaard hem kon zien omdat Kreukelbaard dat zelf wilde. “Nee joh” zei Kreukelbaard.” Oh jee, hij had mijn gedachten weer geraden. “Eh, tja” zei ik, “het spijt me maar ik zie hem niet.” “Dat komt omdat je niet goed kijkt. Niet erg, dat is een mensenkwaal. De meeste mensen die in het bos lopen zien maar een heel klein deel.” Kreukelbaard wees op een boom, “Daar, dat is Eikenhart.” “Ehh, ik zie een boom.” “Ja zie je die werkelijk of zie je ook iets anders?” Ik ging met mijn ogen de hele boom langs en ik meende ineens een gezicht te herkennen in de knoesten en knollen op de stam. “Is dat daar zijn gezicht?” vroeg ik. “Juist dat klopt.” Ik keek nog eens goed en langzaam begon ik het te zien. Twee scheuren in de bast van de stam begroeid met mos  vormden zijn wenkbrauwen, zijn ogen waren kleine holtes in de stam, zijn mond was een groot gapend gat en zijn neus was een dikke knoest waar volgens mij
vroeger wel een dikke tak had kunnen zitten. Meer en meer begon ik te ontdekken, als ik maar lang genoeg keek. Ik zag nu ook twee armen in de vorm van afhangende takken. Zijn handen leken wel de topjes van knotwilgen. Benen zag ik niet maar op de grond splitste de stam zich in een aantal dikke wortels waarvan er twee zomaar voeten konden zijn. “Ok” zei ik, “ik denk dat ik hem zie.” En ik begon ook een soort gezoem te horen. Toen ik daar naar vroeg zei Kreukelbaard dat Eikenhart sliep en snurkte, en dat we moesten wachten tot hij wakker werd. In de tussentijd zochten we paddenstoelen die we op konden eten, aten we frambessen en blauwe bosparels, en dronken we uit een beekje in de buurt.
Plotseling hoorde ik geritsel en keek ik om naar Eikenhart. Het geritsel werd een enorm gekraak alsof er een storm door het bos heen ging. “Wees niet bang, Eikenhart wordt wakker en hij rekt zich alleen maar uit.” Toen werd het weer stil. Kreukelbaard en ik liepen naar Eikenhart en gingen op een elfenbankje zitten. Een laag gebrom werd hoorbaar en Kreukelbaard begon te praten. Blijkbaar was het gebrom de taal van Eikenhart want elke keer als Kreukelbaard stil was begon Eikenhart te brommen. Het was boomtaal. De kabouters noemen dat “met elkaar bomen”, net als wij zeggen dat we met elkaar praten. Na een tijdje zei Kreukelbaard dat hij klaar was, maar dat Eikenhart kennis met mij wilde maken. Het kwam niet zo vaak voor dat een mens zo met een kabouter meekwam om naar Eikenhart te luisteren. Ik vroeg dus wat ik moest doen en Kreukelbaard vertelde me om naar boven te klimmen via de takken die ik daarvoor vanzelf zou vinden. Ik zocht om de boom en inderdaad, er groeiden takken aan de stam die een soort trapje vormden. Ik klom naar boven en vroeg hoe ver ik moest klimmen. Kreukelbaard riep vanaf de grond dat Eikenhart dat wel zou laten weten. Ik klom hoger en hoger, totdat ik bijna niet meer verder kon en eigenlijk ook niet meer durfde. Ik keek naar beneden en zag Kreukelbaard heel klein. Ik vroeg me net af of ik nog hoger zou moeten klimmen toen ik een zacht geritsel hoorde in de bladeren en de takken een stukje opzij gingen.

Wat ik toen zag benam me de adem. Zoooo mooi. Ik keek over de boomtoppen uit. Ik zag een groen dak van bladeren met wel duizenden vogels die aan het kwetteren en fluiten waren. Ik zag de blauwe lucht met witte wolkjes en ineens voelde ik me heel gelukkig en vredig. Heel zachtjes hoorde ik het gebrom van Eikenhart en op de een of andere manier verstond ik hem, begreep ik hem. Alsof er iets  aan me betoverd was. Eikenhart vertelde me, dat hij de hoeder van de bossen was, dat hij een oogje hield op wat er in de bossen gebeurde. Niet alleen dit bos maar ook vele bossen in de wijde omtrek. Hij had via de lucht en de wind contact met andere boomkabouters en zo wisten ze van elkaar wat er over de hele wereld gebeurde in de bossen, konden ze overleggen wat ze moesten doen en hoe ze het zouden regelen. Via boswezens zoals kabouters, elfjes, trollen, en nog veel meer natuurwezens, kon er hulp gegeven worden aan de bossen en degenen die daar leefden. De kabouters, elfjes en trollen vroegen dan weer de hulp van alle dieren en zo kon er goed voor de bossen van de wereld worden gezorgd. Maar Eikenhart en zijn vrienden maakten zich zorgen omdat de mensen zoveel bomen kapten. Hij dacht dat mijn bezoek aan hem niet voor niets was en misschien kon ik eens aan de mensen vertellen wat er allemaal in de bossen gebeurde. En hoe jammer het zou zijn als alle boswezentjes zouden moeten verdwijnen. En toen werd het stil. Ik zat daar nog een tijd te denken over wat hij gezegd had en ik wist nog niet wat ik daarmee aan moest. Ik bleef rond kijken en voelde me ineens heel verdrietig. Ik moest er niet aan denken dat al die mooie bossen zouden verdwijnen met alle onze vrienden van het bos. Kreukelbaard riep ineens van heel ver: ”Hé..kom je nog naar beneden…Eikenhart slaapt alweer hoor.” Langzaam klom ik naar beneden, voorzichtig om Eikenhart geen pijn te doen en om hem niet wakker te maken. Ik moest er niet aan denken dat hij zich zou uitrekken als ik nog in de boom zat! De hele wandeling terug bleef ik denken aan dat mooie uitzicht en aan wat Eikenhart had gezegd. Toen ik weer thuis was, was ik helemaal vergeten om aan Kreukelbaard te vragen wie er nou op bezoek zou komen….