maandag 10 december 2018

De Kreukelbaardkronieken hoofdstuk19: De Kronieken



                                                         
                                                  19. De Kronieken.

Deze ochtend werd ik wakker met een vreemd gevoel in mijn buik. Ik wist meteen dat er wat te gebeuren stond. Omdat het nog vroeg en donker was, besloot ik me nog een keer om te draaien en verder te slapen.
Een paar kilometer verderop in het grote bos was een boze kabouter Kreukelbaard in alle vroegte bezig om zijn knapzak te pakken om het bos voorlopig te verlaten. Dit bos, waar hij samen met de andere kabouters zoveel werk had verricht, wilde hij de rug toe keren. Hij had het letterlijk gehad. Hij wilde zo vroeg mogelijk weg om maar niets te hoeven uitleggen aan de andere kabouters. Alles was nog in diepe rust.
Bij het krieken van de dag ontwaakten overal kabouters in het grote bos. Alle kabouters waren al snel weer druk in de weer met hun dagelijkse klusjes. Elk seizoen brengt weer nieuwe werkzaamheden met zich mee, en dus ook vandaag was er weer veel te doen. Er werd gewerkt in het bos, op de hei, langs de bosrand en zelfs in de tuintjes van het dorpje vlakbij. Tegen het middaguur kwamen de meeste kabouters weer terug om hun middagdutje te gaan doen. Veel van de kabouters werkten namelijk ook ’s-nachts. De rust keerde weer, totdat een van de kabouters naar het huisje van Kreukelbaard liep. Hij klopte netjes op de deur maar er kwam geen antwoord. Zelfs niet bij een tweede keer kloppen. Dat was heel ongewoon voor Kreukelbaard, want hij reageerde altijd meteen. De kabouter keek even door het raampje maar zag binnen niets bewegen. Hij besloot nog een keer te kloppen. Met zijn vuist sloeg hij nu wat harder op het deurtje. Door de kracht van het bonzen draaide de deur langzaam open, maar er was geen Kreukelbaard te zien. De kabouter besloot voorzichtig naar binnen te lopen en riep zachtjes Kreukelbaard ‘s naam. Er kwam geen reactie. Daarop liep hij verder, maar waar hij ook zocht, nergens was er een spoor van Kreukelbaard te vinden. “Hé wat doe jij daar“ werd er ineens achter hem gebulderd. De kabouter sprong van schrik een halve meter in de lucht, stootte zijn hoofd tegen een balk en begon stotterend uit te leggen, dat hij Kreukelbaard om een antwoord wilde vragen op een lastige vraag, maar dat Kreukelbaard nergens te zien was. De oudere kabouter keek eens in het rond en zei dat hij dacht, dat Kreukelbaard wel zo terug zou komen. “Laten we maar even voor de deur wachten”. Maar Kreukelbaard kwam niet opdagen. De beide kabouters werden nu toch wel wat ongerust en besloten om de andere kabouters in te lichten. Niemand wist waar Kreukelbaard was. De oudste kabouter, kabouter Slimbaard, wilde wel eens een kijkje in het huisje van Kreukelbaard gaan nemen. Eigenlijk heette Slimbaard niet zo hoor. Zijn echte naam was Slijmbaard omdat hij nogal eens kwijlde. Maar omdat hij deze naam niet zo leuk vond en nu toch een kabouter was met veel kennis, had hij voorgesteld om zijn naam te mogen veranderen in Slimbaard.
Toen Slijmbaard, pardon, Slimbaard bij Kreukelbaard ‘s huisje aangekomen was, zag hij dat alles heel verlaten was. Er was geen teken van leven aanwezig. Hij speurde door het huisje, maar vond niets wat zou kunnen vertellen waar Kreukelbaard heen zou zijn. Dit was heel ongewoon. Niemand wist wat te doen en ze besloten tot de volgende dag te wachten. Kreukelbaard ging wel vaker weg om te helpen in het naburige bos, maar dan vertelde hij altijd wanneer hij weg ging en hoeveel dagen hij weg zou blijven. De volgende ochtend was er nog steeds niets bekend. Toen in de middag de wijze meneer Uil langs kwam, was het kabouterdorp in rep en roer. Iedereen keek naar meneer Uil, alsof hij wel zou weten wat er aan de hand was. Meneer Uil keek een beetje oubollig om zich heen, want hij wist nog niet wat er aan de hand was. “Kan iemand mij vertellen wat er aan de hand is?” vroeg hij. Nadat Slimbaard alles had uitgelegd, werd het heel stil en men wachtte totdat meneer Uil een antwoord zou geven. Meneer Uil dacht lang na en zei toen: ”Ik heb geen idee, Kreukelbaard zou nooit zomaar zonder iets te zeggen weggaan! Dit moet nader onderzocht worden”. En met die woorden vloog hij de lucht in en verdween, de kabouters verbaasd achterlatend. Een minuut later was meneer Uil alweer terug met de mededeling, dat hij hulp had gevraagd aan de elven. Zodra de elven Kreukelbaard hadden gevonden zouden ze hem vertellen wat er aan de hand was en vragen terug te komen.
Terwijl de dag verstreek ging kabouter Steekneus naar het huisje van Kreukelbaard en liep gewoon zonder het te vragen naar binnen. Hij kon het ook nooit laten om altijd overal zijn neus in te steken. Hij liep overal rond te neuzen in kasten, onder het bed, in de laatjes, onder de dekens, echt overal. Ineens zag hij een klein kistje staan naast de schommelstoel van Kreukelbaard. Langzaam, maar brandend van nieuwsgierigheid liep hij op het kistje af en opende voorzichtig het deksel. Hij hield zijn adem in toen hij zag wat er in lag. Het kistje was aan de binnenkant bekleed met donkerrood fluweel. Er lag een prachtig boek op het fluweel. Een boek met een leren kaft met gouden stiksels. Voorzichtig pakte de kabouter het boek uit het kistje en legde het op tafel. Het leek wel of het boek leefde. Met trillende handen pakte hij de omslag van het boek om de eerste bladzijde te kunnen lezen. Langzaam, héél langzaam werd het boek geopend. Steekneus hield zijn adem in, toen hij de eerste bladzijde zag. Hij las gauw wat in het midden van de bladzijde met sierlijke gouden gekrulde letters stond geschreven: ”De Kreukelbaard Kronieken”. Nieuwsgierig als hij was, wilde Steekneus verder lezen en hij sloeg de pagina om. Groot was zijn schrik, toen de letters van die pagina tot leven kwamen, van de bladzijde afsprongen en veranderden in kleine wezentjes. Gillend gooide Steekneus het boek dicht, waardoor er een paar wezentjes half tussen de bladzijden uitstaken en vast kwamen te zitten. Andere wezentjes dansten op het boek en keken Steekneus brutaal aan. Steekneus zette het op een rennen en vloog pijlsnel het huisje uit en riep zo hard hij maar kon: “Tovenarij, help tovenarij!” Al gauw kwam Steekneus een paar andere kabouters tegen die hem snel naar Slimbaard brachten, waar hij moest uitleggen wat hij gedaan had. Samen spoedden ze zich naar het huisje van Kreukelbaard, om te zien wat er aan de hand was. De andere kabouters liepen voorzichtig achter hen aan. Bij het huisje aangekomen hoorden ze gelach en gejuich. Eenmaal binnen, zagen ze het boek op tafel liggen. Een paar wezentjes waren bezig om met potloden het boek open te wringen om de anderen te bevrijden. Sommigen waren aan het dansen en weer anderen waren gewoon aan het klieren. “Stop!” bulderde Slimbaard. Ineens was het stil. Alle wezentjes keken brutaal naar Slimbaard.  “Wie zijn jullie en waar komen jullie vandaan” vroeg Slimbaard. “Wij zijn de Verhaalmakers. Wij komen uit dit boek, omdat iemand ons heeft vrijgelaten en zo dom was, om het boek weer heel snel dicht te gooien. En nu zitten er nog een heleboel van onze vrienden vast of bungelen half uit het boek. Weet jij wie dat gedaan heeft dan zullen we hem eens even”…. “STOP, hou op!” brulde Slimbaard. “Nou even goed luisteren, ik heb wel eens van jullie gehoord, maar ik heb jullie nog nooit in het echt gezien. Ik weet niet hoe dit kan, maar ik wil alles weten”. “Alleen als je ons allemaal vrij laat”. “Nee dat kan ik niet doen want dan gaat het verhaal in het boek verloren. En het boek is niet van mij, maar van Kreukelbaard. Ik mag daar geen beslissing over nemen”. “Dan vertellen wij niets” zei een van de Verhaalmakers. En toen werd het stil, op de geluidjes uit het boek na. Slimbaard dacht diep na en nam toen een besluit. “Goed” zei hij, “als jullie beloven, dat jullie weer netjes terug gaan in het boek als ik dat zeg, én als jullie vertellen wat er aan de hand is, dan laat ik jullie zo nu en dan vrij als jullie dat willen”. De verhaalmakers keken elkaar aan en knikten toen. Slimbaard opende het boek en bladerde door alle bladzijden. Al gauw stond de hele tafel vol met Verhaalmakers. En was het boek leeg. Er werd gedanst en gezongen alsof de Verhaalmakers hun hele leven gevangen hadden gezeten. En waarschijnlijk was dat ook wel zo. “STOP, STILTE” brulde Slimbaard weer. “En nu wil ik weten wat er aan de hand is”. De verhaalmakers gingen allemaal zitten en eentje stapte naar voren. Hij ging op de rand van het boek zitten, met zijn beentjes over elkaar en begon te vertellen.

“Het zit zo” vertelde de Verhaalmaker. “Kreukelbaard heeft heel vroeger een wens uitgesproken, dat zijn wijsheid over de hele wereld verspreid zou worden. Op één van zijn avonturen kwam hij een tovenaar tegen, aan wie hij zijn wens kenbaar maakte. Deze tovenaar wist, dat Kreukelbaard veel kennissen had, die hijzelf ook wel als vriend wilde hebben en de tovenaar stemde toe om Kreukelbaard te helpen. Maar niet zomaar. Hij wilde zelf ook wel bekend worden. En dus besloot hij een heel bijzonder boek aan Kreukelbaard te schenken waar Kreukelbaard zijn verhalen en ervaringen in op kon schrijven, zodat deze nooit meer verloren zouden gaan en iedereen de mogelijkheid had deze te lezen. Maar wat Kreukelbaard niet wist, is dat als iemand anders het boek leest, alle woorden die het verhaal maken, uit het boek zouden verdwijnen en, in een ander boek, bij de tovenaar tevoorschijn zouden komen. Zo kan de tovenaar er dan zijn eigen verhaal van maken!” “Dus als ik het goed begrijp, gaan jullie als verhaalmakers dan terug naar de tovenaar”? vroeg Slimbaard. “Klopt helemaal” zei de Verhaalmaker. “Maar jullie zijn nu toch vrij en kunnen nu toch meteen terug naar de tovenaar, waarom doen jullie dat dan niet”? vroeg Slimbaard. “Dat komt omdat we nog niet genoeg gelezen zijn. De kabouter die het boek las heeft een te klein stukje gelezen, en dat is te weinig. Maar op het moment dat het boek open ligt, kunnen wij wel vrij bewegen, de bladzijden op en af, net zoals we zelf willen. Behalve als Kreukelbaard in de buurt is, dan blijven we op het papier vastzitten. Hij mocht natuurlijk niet weten dat wij vrij in en uit het boek konden gaan als het open lag. Soms liet Kreukelbaard het boek geopend liggen en als hij dan ging slapen konden wij even de benen strekken”. “Nou dat is dus duidelijk” zei Slimbaard. “Maar waarom is Kreukelbaard nu weg uit het bos? En dat hij zijn boek achter gelaten heeft is mij nog steeds een raadsel”. Een van de andere Verhaalmakers stond op en zei: “Dat kon nog wel eens komen door onze nachtelijke pretpartijen. Vaak als wij het boek uitklommen en plezier maakten, kwam Kreukelbaard ineens weer terug, omdat hij niet kon slapen. Vaak moesten we dan hals over kop terug duiken in het boek en dan werd het wel eens een rommeltje. Als Kreukelbaard dan wilde gaan schrijven was hij verbaasd dat het verhaal ineens heel anders liep, als hij zich kon herinneren. Ik denk dat Kreukelbaard het zo langzamerhand door begon te krijgen dat zijn verhaal nooit goed af kwam, en dat op de een of andere manier de tovenaar, met het boek had gerommeld”. Slimbaard dacht een tijdje na en zei toen: “Het zou me niets verbazen als Kreukelbaard daarom weggegaan is. Hij had vast door wat er gebeurde en is misschien wel opzoek gegaan naar die tovenaar. En als Kreukelbaard weg is, hebben we ook niets meer aan het boek, want jullie Verhaalmakers springen gewoon in en uit het boek en alle verhalen die Kreukelbaard heeft opgeschreven zullen uiteindelijk verdwijnen En ook jullie als Verhaalmakers zullen verdwijnen. Als jullie weer terugkomen bij de tovenaar zal hij van jullie zijn eigen verhaal maken”. De verhalenmakers keken elkaar verschrikt aan. Daar hadden ze nooit over na gedacht.
“Oh maar d
át willen we niet” zei een van de Verhalenmakers. “Wij zijn er toch juist voor om gelezen te worden?” “Júllie zijn de Verhalenmakers. Vertellen jullie maar hoe we dit gaan oplossen” zei Slimbaard.  “Ik heb een idee” riep een kleine Verhaalmaker die op de rand van het boek zat. “Eerst moeten we ervoor zorgen dat zodra iemand het boek gelezen heeft de betovering verbroken wordt en wij niet naar de tovenaar terug hoeven. Anders zou er geen boek meer bestaan! Daarna moeten wij een besluit nemen of we de verhalen zo laten en dus altijd weer op dezelfde plek gaan zitten in het boek, of dat we altijd vrij willen zijn. Maar als wij ervoor kiezen om vrij te zijn, dan zullen de verhalen in dit boek altijd veranderen”. 

“Misschien is het een idee om dit boek zijn eigen verhalen te laten vertellen?” vroeg een kabouter die achter Slimbaard stond. Het was even stil en niemand bewoog. Slimbaard draaide zich om en keek naar de kabouter achter hem. “Beste kabouter Bijdehand, dat is een heel goed idee, tenminste, als iedereen het daarmee eens is”. Iedereen knikte en begon druk te praten, omdat een oplossing dichtbij was. “Maar Kreukelbaard moet eerst toestemming geven”. “Ik ga hem wel zoeken en breng hem terug” riep meneer Uil, en hij vloog weg. Na een paar uur kwam hij met Kreukelbaard op zijn rug terug. Meneer Uil had onderweg alles aan Kreukelbaard uitgelegd. Kreukelbaard liep, zodra ze waren geland, meteen naar de Verhaalmakers toe. Hij zag er boos uit. De Verhaalmakers gingen allemaal dicht bij elkaar op een bladzijde staan en wachtten af wat Kreukelbaard zou zeggen. Kreukelbaard keek heel streng. Zijn  mond ging open en hij begon hard te lachen. “Kleine ondeugende Verhaalmakers, wat hebben jullie me goed te pakken gehad zeg. Ik had wel eens van jullie gehoord, maar ik ben jullie nog nooit in het echt tegengekomen. Ik had wel een vermoeden dat er iets geks aan de hand was. Elke keer als ik verder wilde schrijven, dan stond er iets anders dan waar ik mee geëindigd was. Ik zal eens even iets bedenken waarmee ik jullie aan het werk kan zetten om mijn verhalen weer goed te krijgen“. Slimbaard legde uit wat ze bedacht hadden en Kreukelbaard vond het eigenlijk wel een goed idee. Kreukelbaard vertelde nog even dat hij bij de tovenaar was geweest en hij hem gevraagd had de betovering op te heffen. Al die tijd had Kreukelbaard geweten dat de tovenaar iets met zijn boek had gedaan. Hij wist alleen niet wat. Maar de betovering was nu verbroken en Kreukelbaard kon met de Verhaalmakers eigen afspraken maken. En Kreukelbaard besloot, dat de Verhaalmakers vrij mochten zijn en het boek in en uit mochten springen wanneer ze maar wilden, onder één voorwaarde. En dat was, dat ze altijd aan dit ene boek verbonden zouden blijven en dat alle beschreven wijsheden intact zouden blijven. Daarmee werd dit boek een magisch boek, een boek dat elke keer als je het open sloeg een nieuw verhaal vertelde. Elke keer als iemand anders het las, zou er weer een nieuwe versie van een van de verhalen gelezen worden. En zo konden de verhalen allemaal op een verschillende manier de wereld in. Dan werden de verhalen uit het boek ook geschikt voor verschillende mensen, en van verschillende leeftijden. Iedereen vond dit een prachtig idee en er werd luid in de handen geklapt voor Kreukelbaard en de Verhaalmakers. Dus als jij ooit een verhaal hoort waarvan je denkt het al eens eerder gehoord te hebben, maar net iets anders, dan komt het waarschijnlijk uit een van deze magische boeken.

woensdag 5 december 2018

Kreukelbaardkronieken 18: De Droomdansers

 

                                                      18. De Droomdansers



Vandaag begon de dag op een wel heel bijzondere manier. Ik werd wakker met een lief deuntje in mijn hoofd, die ik tijdens het wassen zachtjes aan het neuriën was. Ik was verbaasd, want ik had geen idee waar dat deuntje vandaan kwam. Ik had het nergens eerder gehoord, maar het maakte me wel vrolijk. En juist die vrolijkheid bracht me er toe, om na het ontbijt naar buiten te gaan en lekker te genieten van de frisse lucht. Wie weet kwam ik Kreukelbaard nog wel tegen, of een van zijn vrienden. Een half uurtje later was ik al vol goede moed op weg. Na een tijdje lopen zag ik een mooi plekje op een open plek in het bos. De zon verlichtte en verwarmde het gras en de bomen met haar stralen en maakte het een fantastische plek om even te zitten. Een stukje verderop was er een kleine modderige poel van waarschijnlijk regenwater. Ik kon zien dat er hier al diverse dieren langs waren geweest, want ik zag allerlei sporen. De druppels die aan de takken en de blaadjes hingen zagen er uit als veelkleurige pareltjes. Het zonlicht brak in de druppels uiteen in felle kleuren. Het was hier stil en vredig. Ik ging liggen op het droge en zachte mos en ik keek door de takken van de bomen omhoog. Het duurde niet lang of ik begon langzaam weg te dromen en zag de takken steeds vager worden. Ik weet nog dat ik dacht, dat ik niet in slaap moest vallen maar mijn ogen vielen toch steeds langer dicht. En vlak voordat ik in een zachte slaap viel, hoorde ik een prachtig gezang. Ik deed onmiddellijk mijn ogen open en keek rond om te zien waar dit mooie gezang vandaan kwam. Maar terwijl ik rond keek vielen mijn ogen alweer dicht en uiteindelijk moet ik in een diepe slaap zijn gevallen.
Toen ik na een tijdje weer wakker werd, had ik het idee dat ik daar al uren had liggen slapen, maar mijn klokje gaf aan, dat het maar tien minuutjes was geweest. Ik was heerlijk uitgerust en kon me vaag iets herinneren van een hele mooie droom. “Nou, dat waren weer tien heerlijke minuutjes” dacht ik nog, en ik stond verkwikt weer op om verder te gaan. Na verloop van tijd kwam ik inderdaad toch weer bij het kabouterbos terecht. Ik herkende het, om dat ik in de verte de grote wijze Eikenhart boven alle bomen uit zag steken. Ik besloot om mijn vriendjes weer met een bezoekje te vereren en ik liep het bospaadje in dat in de richting van Eikenhart liep. Onderweg zag ik al gauw een kabouter, in een diepe slaap, lekker in de schaduw van een paddenstoel. Hij snurkte en had een glimlach op zijn gezicht. Ik besloot heel zachtjes verder te lopen om hem niet wakker te maken. Even verderop zag ik nog twee kabouters in een vredige slaap. De een lag op een varen die hem langzaam heen en weer wiegde en de ander lag op het blad van een heerlijk ruikende plant met bloemen. Ik vond het wel grappig om te zien hoe ze hun middagdutje deden, hoewel ik nog nooit had gehoord, dat ze dat deden. En toen ik eenmaal bij het kabouterdorp aankwam viel mijn mond open van verbazing. Overal zag ik slapende kabouters. Ik snapte het niet zo goed en wilde net naar het huisje van Kreukelbaard lopen om hem te vragen waarom iedereen sliep. Kreukelbaard zou toch wel wakker zijn? Ik hoopte het maar, want ik vond dit wel vreemd hoor, zo midden op de dag.
Ineens zag ik een kabouter voorbij lopen. Hij zwaaide wel naar me maar hij liep me pardoes voorbij. Ik riep hem nog na, maar hij liep gewoon door. En even later kwam er nog een kabouter voorbij, die me ook vriendelijk gedag knikte en zonder iets te zeggen langs me heen liep om naar een andere slapende kabouter te lopen. Hij keek heel even naar de kabouter en liep met een tevreden gezicht weer verder. Dit was vreemd. Gelukkig, daar kwam Kreukelbaard al aan. Hij zag me en kwam meteen naar mij toe. Ik wilde hem net vragen wat er aan de hand was, toen hij zijn vinger op zijn lippen legde. Heel zachtjes hoorde ik “ sssst”. En toen ik goed keek, zag ik uit zijn oren een klein geel propje steken. Nou ja wat was dit nou? Ik wees op zijn oren en maakte een vragend gebaar. Ik durfde niet meer iets te zeggen. Kreukelbaard lachte en wenkte me dat ik hem moest volgen. We liepen naar de machtige, wijze boom Eikenhart. Kreukelbaard gebaarde me, dat ik naar boven moest klimmen, zoals ik al eerder had mogen doen. Ik klom naar boven totdat ik een geschikt plekje vond om te gaan zitten en ik wachtte rustig af. Beneden stond Kreukelbaard te glimlachen. Hij had nog steeds die gele proppen in zijn oren. Ik zag overal slapende kabouters liggen en andere kabouters die tussen hen door heen en weer liepen. Zij hadden net zoals Kreukelbaard, gele proppen in hun oren. De boom schudde plotseling en ik hoorde een geritsel van de bladeren. Plotseling hoorde ik een zacht gebrom uit de stam van de boom komen. Ik liet mezelf tegen de stam zakken en sloot mijn ogen. Ineens ging het gebrom over in een zacht diep gefluister dat rechtstreeks zo in mijn hoofd terecht leek te komen. Ik wist meteen dat Eikenhart tegen me begon te praten. “Welkom, ik wist dat je zou komen en dat je verbaasd zou staan op deze heugelijke dag. Kreukelbaard heeft mij gevraagd, of ik bereid was om jou te vertellen wat er vandaag aan de hand is. Waarom er zoveel kabouters liggen te slapen en waarom Kreukelbaard en de andere wakkere kabouters niets zeggen. Zonder dat je me onderbreekt zal ik het verhaal vertellen”. Ik zat vol met vragen en wilde meteen reageren maar Eikenhart was me voor. Hij begon met zijn takken te zwaaien en hij begon zijn verhaal zonder dat ik de kans kreeg om ook maar iets tegen hem te kunnen zeggen.

“Het is vandaag de dag van de Droomdansers. In een rijk hier ver vandaan, leven de Droomdansers. Het is een heel vredelievend rijk waar alleen de elven wonen. Sommigen zijn al duizenden jaren oud, dat wil zeggen, ze keren steeds weer terug. Een elf wordt een paar honderd jaar. Op het moment dat de elf dood gaat, vertrekt hij of zij naar het zilverlicht van de maan. Daar besluiten zij, of zij weer geboren willen worden en wanneer. En als de tijd rijp is in het rijk van de Droomdansers, en er zijn twee elven die samen de wens hebben uitgesproken om weer een elf als kind te mogen ontvangen, dan komt zo’n elf weer terug. En dat kan zo een hele tijd doorgaan. En de elven uit dit rijk tellen hun jaren gewoon door. Dat komt omdat zij de kennis hebben over de Droomdansen. Niet alle elven hebben dat, maar degenen die dat wel hebben, onderhouden dat goed en geven dat ook steeds weer door aan anderen, zodat hun kennis en kunde nooit verloren gaat. De Droomdansers, zoals ze heten, kunnen namelijk de anderen helpen om hun vorige tijd, hun vorige leven in dit Rijk te herinneren. Op die manier kunnen de elven op een waardige manier dood gaan, zonder angst en met veel respect en dankbaarheid voor elkaar. Ze weten dat ze dit bij hun terugkeer gewoon weer voort kunnen zetten, als ze zich dat gaan herinneren. De Droomdansers zorgen er voor, dat de elven die er aan toe zijn om hun vorige leven te herinneren, in hun slaap diverse dromen krijgen over het leven en hun doel hierin. Wat ze gedaan hebben en op welke manier. En omdat elke elf natuurlijk wil herinneren hoe ze zijn geweest in een vorig leven zorgen ze er wel voor dat ze een harmonisch leven hebben met alles wat om hen heen leeft. Daarom is dat ook zo’n mooi rijk. Alles is daar in harmonie met elkaar, van de bomen en de grassprieten tot aan de bergen met de dieren en de elven aan toe. Begrijp je het nog tot hier?” vroeg Eikenhart ineens aan me. Ik was stil van het verhaal en kon alleen maar knikken. Het leek wel of Eikenhart dat voelde of misschien zag want hij ging direct door met zijn verhaal.
“Eén keer per jaar komen de Droomdansers hier op bezoek. Er is ooit eens een kabouter in het rijk van de Droomdansers terecht gekomen en daar heeft deze kabouter mogen ondervinden wat het is om zijn herinneringen weer te verkrijgen. Dat vond hij zo prachtig, dat hij heeft gevraagd of andere kabouters dit ook eens mochten ervaren. Hij vond het wel een goed idee dat de kabouters al hun goede werk wat ze deden bleven herinneren. De elvenraad besloot gelukkig positief en sindsdien komen de Droomdansers eens per jaar langs. Dan dansen zij voor de kabouters en zingen zij hun lied. De kabouters vallen dan in een diepe slaap en dromen dan hun herinneringen uit vroegere levens. De kabouters die wakker zijn, hebben er voor gekozen om de slapende kabouters te verzorgen. Zij moeten dan wel iets in hun oren doen, want anders vallen ook zij in slaap. Het gezang van de Droomdansers zorgt er voor dat je in slaap valt”. Eikenhart zweeg en het bleef geruime tijd stil. Zou hij nu ook in slaap zijn gevallen? Maar net toen ik voorzichtig wilde kuchen om hem te laten weten dat ik er nog was, voelde ik een trilling door de stam gaan. “Ja, ze zingen echt een mooi lied” zei hij. Ik vroeg aan Eikenhart of het niet gevaarlijk was dat er nu zoveel kabouters sliepen. Er was immers nu geen een kabouter meer die in het bos waakzaam was.  Ik kon ook gewoon zomaar het bos in lopen en de slapende kabouters tegenkomen. “ Oh, maar daar wordt wel voor gezorgd hoor” zei Eikenhart. “Ben je nu al vergeten dat je zelf ook in slaap bent gevallen? Dat is wat er gebeurt, je valt vanzelf in slaap als je in de buurt komt. De Droomdansers hadden je al lang zien aankomen en besloten om je in slaap te laten vallen. Ze kwamen het me melden en ik heb hen toestemming gegeven om je door te laten”. Maar ik heb geen elf gezien” zei ik. “Dat klopt, maar je hebt vast wel wat gehoord”. Eikenhart had gelijk. Ik had op mijn wandeling een soort gezang gehoord, en daarna was ik slaperig geworden en op een mooie plek in slaap gevallen.

“Maar dat je de Droomdansers niet kunt zien dat klopt” zei Eikenhart. “Je hoort ze wel, maar ziet ze bijna nooit. Soms voel je dat ze er zijn. Soms zie je een soort mist tussen de bomen hangen en heb je het idee, dat je in die mist iets ziet bewegen. De mist hangt altijd in de boomtoppen. Als je dat ziet wees dan stil, want dan weet je, dat de Droomdansers aan het werk zijn voor de bewoners in het bos.” Ik vroeg of ik nu ook meer van vroeger kon herinneren omdat ook ik in slaap was gezongen. Ik had volgens mij toch niets speciaals gedroomd. “Nee, je moet altijd toestemming geven om herinnerdromen op te roepen. Je kunt daar gewoon om vragen. Waar je ook bent, de Droomdansers zullen je horen. En wat je ook droomt en wat je ook van je droom vind, het zijn altijd alleen de goede herinneringen van wie je werkelijk bent. Vergeet dat niet!” En met die laatste woorden voelde ik een siddering door de boom gaan en werd het weer stil. Ik wist dat Eikenhart klaar was met zijn verhaal. Ik keek naar beneden en zag Kreukelbaard al wenken. Ik klom naar beneden en besloot zachtjes het bos te verlaten om maar niemand te storen. Die avond ging ik tevreden slapen. Stiekem hoopte ik dat ik ook een droom zou krijgen en me zou herinneren hoe goed en mooi ik ben.

vrijdag 23 november 2018

De Kreukelbaardkronieken: Hoofdstuk 17!




                                                    17. Het bos op stelten


Toen ik vandaag door het bos op weg was naar kabouter Kreukelbaard, zag ik een kabouter zonder puntmuts. Dat is op zich best vreemd, want ik had hier nog nooit een kabouter zonder zijn of haar puntmuts op gezien. Toen ik dichterbij was gekomen, hoorde ik de kabouter in zichzelf brommen. “Goedemorgen” zei ik vriendelijk. De kabouter keek op en bromde iets terug wat ik echt niet kon verstaan. Verbaasd liep ik verder en na een tijdje kwam ik een andere kabouter tegen die zijn laarzen aan het uittrekken was. Dat is natuurlijk niet vreemd, maar wel als uit de laarzen een grote straal water gegoten wordt. “Goedemorgen” zei ik weer. En ook deze kabouter gromde iets terug wat ik niet kon verstaan.  Een heel eind verder zag ik ineens een kabouter allerlei rare bewegingen maken. Ik liep naar hem toe en vroeg wat er aan de hand was. “Jeuk, jeuk” gilde hij, “zo’n vreselijke jeuk op mijn rug, help eens even met krabbelen.” Ik krabde de kabouter eens even flink op zijn rug en vroeg hem waar die jeuk vandaan kwam. Het enige wat ik kon verstaan was “Aaaah aaah aaah  wat lekker, ga door met krabbelen, aah aah.” Ik bleef nog even krabbelen en terwijl ik dat deed zag ik een klein rupsje onder het hemdje van de kabouter vandaan kruipen. Ik begon een beetje te lachen want ik begon te vermoeden waar de jeuk vandaan kwam. “Mag ik even onder je hemdje kijken, want ik denk dat ik weet waardoor je zo’n jeuk hebt.” “Ja hoor” zei de kabouter en ik tilde zijn hemdje omhoog. En daar zag ik nog een rupsje. Alle twee de rupsjes haalde ik weg en zette ze op een blaadje van een struik. “Kijk, dat zijn de boosdoenertjes, die kriebelden jou met hun pootjes op je rug.” De kabouter keek ernaar en zei: ”Dank je wel voor je hulp, maar dit zijn zijderupsjes en die maken hele fijne draadjes zijde, en ze kriebelen nog steeds. Wil je me nog even verder helpen?” “Natuurlijk, zeg maar wat ik moet doen.” “Wil je alsjeblieft even wat van die klei pakken en  daar mijn rug mee insmeren, zodat al die zijdedraadjes weg gewreven worden?” Ik wreef de klei op zijn rug en zag al gauw dat het inderdaad hielp, want de kabouter werd al stukken rustiger. “Hèhè, dank je wel voor de hulp.”
Net toen ik wilde vragen wat er nou precies gebeurd was, kwam Kreukelbaard achter een bessenstruik om gelopen. Ik keek naar hem en begon spontaan te lachen. Ik had nog nooit, maar dan echt nog nooit een kabouter in een korte broek gezien. Met van die kleine witte knietjes…het was geen gezicht. Ha ha ha ha  lachte ik. Kreukelbaard liep met een boos gezicht zonder iets te zeggen langs me heen en ging recht op de andere kabouter af. “Waarom heb jij je hemd uit gedaan en waarom zit er allemaal klei op je rug?” vroeg Kreukelbaard. “Oh ik had zo’n jeuk. Het bleek dat er twee zijderupsjes onder mijn hemd zaten.” “Hmm, dus jij ook al” bromde Kreukelbaard en hij liep verder. Ik besloot achter hem aan te gaan want ik begon nu wel erg nieuwsgierig te worden naar wat er aan de hand was. En dat er iets vreemds aan de hand was, dat was wel duidelijk! 
We liepen zwijgend achter elkaar aan en kwamen zo bij de kabouter met de kletsnatte laarzen. Kreukelbaard keek naar de laarzen en zei: “Zo, en wat is hier gebeurd?” “Ach”, zei de kabouter, “ik was mijn raampjes daar boven aan het boenen. En toen ik langs de ladder naar beneden klom stond de emmer water ineens onder aan de ladder. En daar stapte ik dus zomaar in. Alles nat. Maar wie dat gedaan heeft, dat weet ik niet.” We liepen door, en even verderop kwamen we de kabouter tegen die geen puntmuts meer had. Hij vertelde het verhaal, dat hij heel even een dutje lag te doen onder een boom en toen hij wakker werd was hij zijn muts zomaar kwijt. Ik keek Kreukelbaard aan en wilde hem net vragen wat er aan de hand was en ook wat er met zíjn broek gebeurd was, maar hij liep alweer verder. Terwijl we zo door het bos wandelden, kwamen we allemaal kabouters tegen die wel iets geks hadden meegemaakt. Eentje was zijn brilletje kwijt, de ander had zand in zijn zout. De volgende was gaan zwemmen in het riviertje om de slaap te verdrijven en toen hij uit het water kwam, hingen zijn kleren in de boom, zó hoog dat hij er net niet bij kon. Het begon duidelijk te worden dat er heel veel kabouters de dupe waren geworden van iemand die heel grappig probeerde te zijn. En Kreukelbaard was ook getroffen, dat kon je zo wel zien, aan zijn veel te korte broek.
Kreukelbaard ging op een boomstronk zitten en probeerde na te denken. Ik ging naast hem zitten en probeerde ernstig te kijken, maar ik moest steeds lachen als ik zijn kabouterknietjes zag. Kreukelbaard keek op en zei: “We hebben hier een groot raadsel, dat hoog nodig opgelost dient te worden, want dit kan echt niet! Het hele kabouterbos staat op stelten met die rare grappen.” ”Maar wat is er nu eigenlijk met jouw broek gebeurd?” vroeg ik. “Tja, mijn broeken moesten gewassen worden en alles had ik aan de lijn gehangen om te drogen, maar die zijn allemaal weggehaald, foetsie, van de lijn af, verdwenen! En nu heb ik alleen deze broek nog maar. En die heb ik een keer verkeerd gewassen en is daardoor heel erg gekrompen. Maar, toch beter in een te korte broek rondlopen dan helemaal zonder broek. Wat zouden de andere kabouters wel niet zeggen!” “Nou zo erg is het niet hoor” zei ik, “want wat dacht je van die kabouter die even gezwommen had, die loopt nu helemáál zonder kleren, dat is pas erg!” “Ja, maar luister eens, ik ben Kreukelbaard en ik heb nog nooit mijn waardigheid op zo’n manier verloren hoor.” “Ooooh”, lachte ik, “zit jouw waardigheid in de broek die je draagt? Het is toch meer hoe je je gedraagt?” Kreukelbaard keek me aan met een rood hoofd en begon toen ineens heel hard te lachen. “Je hebt gelijk” zei hij, “ik moet me niet zo aanstellen, ophouden met brommen en laten zien dat ik dit grote mysterie ook wel weer kan oplossen. Dus kom op, aan de slag!”
Kreukelbaard riep alle kabouters en hun dierenvriendjes bij elkaar en vroeg of iemand iets vreemds in het woud had gezien. De enige die reageerde was een bosmuis, die een heel eind verderop een vreemd geknor had gehoord. Meteen gingen de kabouters op zoek naar het geluid. De bosmuis liep voorop. Toen ze allemaal het rare geluid hoorden werd iedereen stil. De bosmuis was ineens niet meer te zien en Kreukelbaard liep langzaam en een beetje gebukt verder, gevolgd door de anderen. Het geluid was dan ook angstaanjagend: “Grrrrrr fjieeet, grrrrrr fjieeet. Toen we langs een paar dennenbomen slopen zagen we eerst een brilletje liggen. Daarna een stapel broeken en een puntmuts. Het was duidelijk dat alle spulletjes die verdwenen waren hier bij elkaar lagen. En een eindje verderop lag iets dat het vreemde geluid maakte. Voorzichtig liepen we verder en zagen tot onze schrik, dat daar een kleine trol lag te slapen. Nu had ik altijd al begrepen dat je heel voorzichtig moest zijn met trollen, omdat ze soms gevaarlijk konden zijn. Maar Kreukelbaard ging recht overeind staan en liep moedig op de trol af. “Hé trol, wordt eens wakker!” riep Kreukelbaard terwijl hij hem met een stok in zijn zij porde. 

Met een hele harde snurk, schrok de trol wakker en ging meteen staan. Hij was wel drie keer zo groot als Kreukelbaard. Ik ging voorzichtig een beetje achter de anderen staan en wachtte gespannen af wat er ging gebeuren. De trol begon te grijnzen en zei “Hallo”.  Kreukelbaard ging op een heuveltje staan om groter te lijken en zei tegen de trol: “Zo, het is wel duidelijk wie hier de grapjas is hè? Waar kom je vandaan en waarom heb je ons zo gepest met die grappen van je?” De trol antwoordde: “Ik ben Grobbes en ik ben een trol uit het land daar over die berg. Ik ben hier naar toe gekomen omdat ik nieuwsgierig was geworden wat hier zoal te vinden zou zijn. Ik ben verdwaald en ik had honger. Ik heb altijd honger, ik vind eten lekker en jullie hadden heel lekkere dingen. Dat rook ik al op een verre afstand. Dus ik ben bij jullie op bezoek gekomen en heb mijn buikje lekker rond gegeten aan die heerlijke dingen die jullie overal hebben liggen.” “En die spullen van ons, waarom liggen die hier?” “Ach dat zit gewoon in mijn aard, wij trollen kunnen het gewoon niet laten om een beetje te plagen en te klieren. Ik hoop dat jullie daar niet al te boos over zijn.” “Nou” zei Kreukelbaard, “het mysterie is in ieder geval opgelost en je grapjes hebben gelukkig geen echte schade opgeleverd. Dus vooruit maar weer. Toch hebben we liever niet dat jullie allemaal hier naar toe komen want ik geloof, dat we het minder leuk gaan vinden als er nog meer van dat soort grappen en grollen met ons worden uitgehaald. We hebben het juist zo druk met de zorg voor de dieren en de natuur.” “Ik beloof jullie, dat ik er met niemand over zal praten” zei Grobbes, “en ik zal jullie mooie plekje geheim houden, maar mag ik af en toe nog eens terugkomen, want jullie hebben echt lekkere dingen om van te snoepen.” “Afgesproken, en vanavond houden we dan een feestmaal ter ere van jou en je grollige grappen” antwoorde Kreukelbaard. En die avond, terwijl we een klein feestje hielden met lekker eten en drinken zat Grobbes heerlijk te genieten van al dat lekkers. Omdat ik altijd had gedacht dat trollen boosaardig waren, ging ik toch eens naast Grobbes zitten en vroeg hem, waarom wij de trollen toch altijd als boze en kwade wezens zagen. Grobbes moest hard lachen en zei: “Omdat jullie nooit tegen onze grappen en grollen kunnen en dan worden jullie boos en worden we weggejaagd. Dat vinden wij nou weer niet leuk. En denk daar maar eens over na.”

vrijdag 16 november 2018

De Kreukelbaardkronieken hfdst 16: Het Strandavontuur




                                               16. Het Strandavontuur


Toen ik vanmorgen wakker werd scheen het zonnetje al aan een strak blauwe hemel. Het beloofde een mooie warme dag te worden. Ik dacht bij mezelf: “Kom laat ik eens naar het strand gaan. Ik ben nu wel vaak genoeg in het bos geweest en ben die kabouters nu wel een beetje zat. Even een keer iets anders en niet weer iets nieuws meemaken. Gewoon, lekker luieren aan het strand en zwemmen in de zee.” Zo gezegd zo gedaan. Ik maakte een pakketje boterhammen en een flesje drinken klaar om mee te nemen. Ik stopte alles in een kleine rugzak en ging op weg naar een mooi plekje op het strand, waarvan ik wist dat het er altijd erg rustig was. Voordat ik bij het strand kon komen moest ik eerst door een stukje bos en duin. Het was een mooie wandeling en het was er heel erg stil, zo stil, dat ik het geruis van de zee al zachtjes hoorde. Opeens leek het wel of er iemand aan het grinniken was. Ik keek om me heen maar zag niemand. Maar ik bleef het horen, alsof iemand met me mee liep. Vreemd hoor. Ik liep de laatste duin over en daar zag ik de mooie diep blauwe zee en het warme gele zand. Er stond een zacht verkoelend windje. “Dat wordt een fijne dag” dacht ik nog. En terwijl ik dat dacht hoorde ik het gegrinnik weer, maar nu nog harder dan eerst. Ik liep het strand op en keek om me heen, maar ik zag verder niemand die dat geluid kon maken. Ik begon bijna aan mezelf te twijfelen, toen er opeens een gedachte in me opkwam. Dit had ik al eerder gehad, eenmaal met een eekhoorn, die me kwam ophalen om naar het bos te gaan en zo Kreukelbaard te ontmoeten. Een andere keer was met Kreukelbaard zelf, die hele korte woordjes zei, die zomaar in mijn hoofd terecht kwamen, terwijl hij niet eens in de buurt was. Misschien was dit ook wel zoiets. Plotseling keek ik ineens achterom, gewoon om misschien iets te kunnen ontdekken. Maar natuurlijk zag ik niets.
Ik liep dus maar het strand op en ging op een mooi plekje zitten. Ik legde mijn handdoek op het zand, en daar bovenop mijn rugzakje. Al gauw nam ik een duik in het heerlijke zeewater. Na een paar minuten heerlijk zwemmen ging ik terug naar mijn handdoek. Ik ging lekker in het zonnetje liggen om op te drogen en viel bijna in slaap. Plotseling schrok ik van een beweging die ik voelde. Ik keek rond op mijn handdoek, zag niets en besloot weer te gaan liggen. “Het zal wel zo’n schokje van mijn spieren zijn geweest vlak voordat je in slaap valt” dacht ik. Even later voelde ik nog iets, nu bij mijn hoofd. “Vast de wind die mijn handdoek een beetje laat wapperen.” Ik besloot gewoon lekker verder te luieren en er geen aandacht aan te schenken. Totdat ik me ervan bewust werd dat ik wéér een vreemd geluid hoorde. Ik bleef stil liggen en probeerde heel langzaam mijn hoofd op en neer te draaien om te luisteren wat voor soort geluid het was. Krontsj krontsj krontsj aahhh. Krontsj krontsj krontsj aahhh.  Wat was dat toch voor een vreemd geluid? Ik ging zitten en keek in het rond. Het geluid ging gewoon door. Het kwam van achter mijn rugzak vandaan. Nee, nog gekker, het geluid kwam vanuit mijn rugzak! Langzaam kroop ik steeds dichter naar mijn rugzak toe. Ik kon hem bijna pakken. Juist op het moment dat ik de rugzak wilde grijpen, begon deze opnieuw te bewegen. Ik hield mijn adem in en wachtte af, klaar om er bovenop te duiken. Ik zag een bobbel in de rugzak langzaam naar buiten toe bewegen! Tot mijn grote verbazing kwam er een klein mannetje naar buiten met een zandgeel puntmutsje en een witte baard. Hij had een blauw pakje aan met witte schelpen als knoopjes. In zijn baard zaten kruimeltjes van wat waarschijnlijk mijn boterhammetjes waren geweest. “Hee jij, wie ben je en wat doe je in mijn rugzak” schreeuwde ik van de spanning. Het mannetje schrok, sprong een gat in de lucht en slaakte een luide gil.  Hij viel op zijn billen en bleef trillend zitten. Het bleef even stil en toen zei hij: ”Jemig, jíj laat me schrikken zeg, is dat nou nodig, om me zo de stuipen op het lijf te jagen?” “Jou de stuipen op het lijf jagen?” riep ik, “wat denk je wel, je zit in míjn rugzak, je maakt vreemde geluiden die ik niet thuis kon brengen en je hebt waarschijnlijk ook al mijn boterhammetjes op gegeten.” “Eh hum, ja” zei de kabouter, “die boterhammetjes, ja die waren wel erg lekker ja, en er is nog een stukje over als je wilt.” “Waar haal jij de moed vandaan om zomaar in mijn rugzak te kruipen en mijn boterhammetjes op te eten? Wie ben je en waar kom je eigenlijk vandaan?” vroeg ik. “Ik ben kabouter Knarstand en ik woon hier op het strand en in de duinen. Ik had vreselijke trek en rook dat er iets lekkers te halen was. Ik ken het strand op mijn duimpje en weet precies waar wat te halen is. Enne, bedankt voor de boterhammetjes!” “Ik wist niet dat er hier ook al kabouters leefden. In het bos, ja, dat wist ik wel en dat heb ik ook altijd al gelezen in mijn boeken over kabouters, maar hier bij de zee…nee dat heb ik nog nooit gehoord” zei ik tegen Knarstand. “Ach, er is nog zoveel over het rijk der fabelen of sprookjes wat je niet weet. Jullie lachen er altijd om, als je die verhaaltjes vertelt aan jullie kinderen, maar er bestaat meer dan jullie eigen wereld hoor. Het is veel meer dan je ooit gedacht had, en veel meer als dat je tot nu toe geleerd, gezien en gehoord hebt in het bos van Kreukelbaard.” “Ken jij Kreukelbaard dan ook?”  “Ja natuurlijk, wij kabouters kennen elkaar allemaal. En Kreukelbaard had ons al ingelicht dat je binnenkort zou komen.” “Ho wacht even” zei ik, “wist Kreukelbaard dat al? En wie zijn jullie? Ben je niet alleen dan?” “Ja, een tijdje geleden vertelde Kreukelbaard ons, dat de kans bestond dat jij langs zou kunnen komen, en dus hebben wij geduldig afgewacht. Maar dat ik je zó op deze manier zou ontmoeten, via jouw boterhammetjes, dát wist ik niet. En ik ben niet alleen hoor. Er zijn heel veel kabouters zoals ik, over de hele wereld.



Wij zijn de Zandkabouters, niet te verwarren met het Zandmannetje hoor. Die strooit alleen maar met slaapzand. Wij onderhouden het leven aan de zee. We zorgen voor de dieren die in zee leven, en die aan het strand en in de duinen leven. Soms hebben ze een beetje hulp nodig, zoals laatst toen we een nest van een zeeschildpad wat extra moesten beschermen. Door een storm waren de eitjes een beetje bloot komen te liggen. Wij hebben ze toen weer goed toegedekt. Gisteren hoorde ik, dat de eitjes uitgekomen waren en er wel honderden nieuwe kleine zeeschildpadjes naar de zee liepen. Goed werk is dat, want het is belangrijk dat net zoals het landleven, ook het zeeleven in stand en in balans wordt gehouden. En dat is soms heel hard werken voor ons hoor!” Ik was helemaal verbaasd over het verhaal van Knarstand. Dat ik nu op een totaal andere plek alweer werd geconfronteerd met nieuwe avonturen van het bijzondere leven dat voor mij zolang verborgen was geweest. Hoe was het toch zo gekomen dat ik in deze kabouter- en elvenwereld terecht ben gekomen? Ik wist het niet meer. Knarstand zat me vreemd aan te kijken en zei: ”Nou ja, je hebt er zelf om gevraagd hoor, jij wilde iets doen met je fantasie, zoals jullie dat noemen. En ja, als jullie fantasiewereld ineens een echte wereld blijkt te zijn naast die van jullie, dan zijn jullie ineens verbaasd! Maar goed, je bent tenminste een van die mensen die er in durft te geloven, en krijg je dus ook alle kansen om veel mee te maken. En omdat je er verhalen over schrijft, werken wij allemaal graag mee. Maar kom op, we gaan even kennis maken met de rest. We moeten even die duintop verderop beklimmen en daarachter is de ingang naar ons dorp.”
Ik was reuze benieuwd en liep achter Knarstand aan. Eenmaal over de duintop heen, liepen we nog een tijdje door het hoge duingras en stonden we opeens stil. Knarstand wees in de verte een konijnenhol aan. “Daar is het, daar gaan we naar binnen.” “Maar dat is een konijnenhol!” zei ik. Knarstand grinnikte en liet me duidelijk weten dat niet elk gat in het zand een konijnenhol was. Ik was benieuwd hoe ik dat gat in zou moeten kruipen, maar toen we er eenmaal voor stonden bleek het zó groot te zijn dat ik er makkelijk in kon lopen. Ik wilde net uitleg vragen aan Knarstand toen ik zag dat hij gegroeid was, hij was net zo groot als ik! Knarstand zag mijn gezicht en begon hard te lachen: ”Ha ha ha, ík ben niet gegroeid maar jíj bent gekrompen. Dat heet aanpassen aan de wereld waarin je je begeeft.” Ik moest meteen terugdenken aan die ene keer in het bos, toen ik voor het eerst met Kreukelbaard op stap ging. Toen gebeurde precies hetzelfde. Ongemerkt was ik kleiner geworden en had ik dezelfde afmetingen als alle andere kabouters aangenomen. Dat was toen bij Kreukelbaard en nu gebeurde het weer bij Knarstand. “Kom, we gaan naar binnen” zei Knarstand. We liepen de ingang van het konijnenhol in dat dus helemaal geen konijnenhol bleek te zijn, maar de ingang tot een zaal waar een aantal zandkabouters bijeen zaten. “Welkom op deze plaats waar wij tijdelijk verblijven om ons werk te doen. Hier doen we de kleine karweitjes. Van hieruit gaan we naar buiten waar we in de omgeving doen wat ons is opgedragen of dat er nodig is.” “Wonen jullie hier, in dit hol?” vroeg ik. “Welnee, dit is een soort werkruimte, we wonen verderop in een zandkasteel” zei Knarstand met guitige oogjes. Ik wist niet of ik hem wel of niet moest geloven. “Waarom denk je dat kinderen het zo leuk vinden om op het strand zandkastelen te bouwen? Dat komt omdat ze ergens nog weten, dat zandkastelen gewoon bestaan en gebruikt worden. Door ons dus. En elke keer verhuizen we weer naar een ander kasteel. Sommige kastelen blijven heel lang staan. Maar de meeste kastelen spoelen al weer snel weg door de zee, jullie bouwen ze ook veel te dicht bij de zeekant. Kom maar eens mee.” Ik liep achter Knarstand aan verder de duinen in. Opeens wees hij met zijn vinger naar een bepaalde plek. “Daar staat het.” Ik zag niets en keek hem vreemd aan. “Kijken, niet met je verstand maar met je hart, met je fantasie”, zei Knarstand. Ineens zag ik het. Het was niet zo’n kasteel wat je zou verwachten, maar als je goed keek, zag je in de vormen van de duinen en het zand, boomstronken, takken en struiken de vormen van daken, torens, en muren. Even later zag ik ook een poort en de ramen in de muren. Als ik met mijn ogen knipperde en weer goed keek, dan was alles weer weg. En dan na een tijdje stil kijken en staren kwam het beeld weer terug. Verbaasd keek ik naar Knarstand en hij lachte. “Zie je nou wel.” Ik hoopte dat ik mee mocht naar binnen, maar dat was niet de bedoeling. In een zandkasteel mochten alleen zandkabouters komen. Dat was voor de veiligheid. Het was wel eens gebeurd dat er iemand binnen was gelaten en die er ineens niet meer in geloofde. Hij nam toen ook ineens weer zijn eigen lengte aan waardoor het hele kasteel in stortte. Sindsdien mag er beslist niemand anders meer mee naar binnen. “En” zei Knarstand, “het is tijd om weer verder te gaan. Wij moeten aan het werk en jij gaat weer terug naar je handdoek op het strand.” Het was duidelijk dat mijn avontuur afgelopen was en Knarstand bracht me terug naar mijn handdoek en mijn rugzak. “Wie weet zien we elkaar nog een keer op een ander strand! Het was leuk om je te ontmoeten en we hopen dat je het strand altijd netjes achter laat. Dat scheelt ons een boel werk. En bedankt voor je boterhammetjes.” Lachend verdween Knarstand weer in de duinen. Ik ging zitten en merkte dat ik best wel trek had gekregen. Knarstand had gezegd dat er nog wat over was dus ik pakte mijn rugzak. Maar nee hoor, het enige wat ik nog vond was mijn flesje met drinken en een paar kruimels. Achter me hoorde ik een luid gegrinnik en toen ik om keek zag ik nog net een andere zandkabouter achter een duintop wegschieten.